In dit artikel gaan we dieper in op de oorlog in Oekraïne, net nu er — opnieuw — cruciale onderhandelingen in het vooruitzicht worden gesteld. We pakken daarbij een aantal hardnekkige misverstanden aan die in Vlaanderen blijven rondzingen. Vooral het idee dat steun voor de objectief anti-imperialistische strijd die Russische strijdkrachten in Oekraïne voeren, automatisch gelijkstaat aan steun voor het staatskapitalistische, oligarchische post-Sovjetsysteem dat Rusland de voorbije decennia heeft bestuurd en dat doorgaans wordt gepersonifieerd door president Poetin.
Hoewel niet valt te ontkennen dat Poetins beleid heeft bijgedragen aan een zekere sociaaleconomische en geopolitieke wederopstanding van de Russische staat — na de dramatische ineenstorting van 1991 — is er geen reden om te veronderstellen dat dit zogenaamde “poetinisme” het eindpunt vormt van de politieke ontwikkeling die Rusland sinds de eeuwwisseling doormaakt.
Volgens de Amerikaanse anti-imperialistische blogger Rainer Shea werden de obstructionistische elites met tegenzin richting de “Speciale Militaire Operatie” geduwd door populistische druk van onderuit, met name vanuit de arbeidersklasse en niet in het minst door de communisten. Zij riepen al sinds 2014 op tot een veel grondiger aanpak van de situatie in de Volksrepublieken van de Donbass. De oligarchie had echter veel te verliezen bij zo’n militaire interventie. Dat het zo lang heeft geduurd voor Rusland uiteindelijk tot actie overging, hangt volgens deze redenering nauw samen met de tegenwerking van elites wier economische belangen diep vervlochten waren met het Westen en het internationale financiële systeem — en die dus bijzonder kwetsbaar waren voor een nieuwe golf Westerse sancties.

In de volgende paragrafen analyseren we de woelige geschiedenis van Rusland (en Oekraïne) vanaf de implosie van de Sovjet-Unie, waarvan de wortels teruggaan tot het destalinisatieproces. We schetsen de duistere jaren ’90 en de neoliberale shocktherapie die de voormalige Sovjetrepublieken met brute snelheid richting kapitalisme moest duwen — een beleid dat miljoenen levens heeft gekost. Daarna behandelen we de opkomst van Vladimir Poetin vanaf de eeuwwisseling en de maatregelen waarmee hij de grootste excessen van het neoliberale kapitalisme temperde en de sociaaleconomische en politieke situatie binnen de Russische Federatie stabiliseerde.
In het tweede deel onderzoeken we het staatskapitalistische systeem zoals het in Rusland functioneerde tot aan de Speciale Militaire Operatie: welke atavistische staatsstructuren van de USSR nog steeds doorwerken, welke rol de KPRF speelt, hoe de “nieuwere” generatie siloviki het apparaat beïnvloedt, en in hoeverre de nauwere samenwerking met China en Noord-Korea — in combinatie met de druk en positie van de werkende klasse — op middellange termijn een impuls kan vormen richting een daadwerkelijke terugkeer naar socialisme. In dat scenario zou Poetin uiteindelijk vooral als overgangsfiguur worden herinnerd.
“Pro-poetin”
Anti-imperialistische stemmen die in West-Europa een van het mainstream media-discours afwijkend geluid laten horen over de oorlog in Oekraïne, worden in de liberale media steevast weggezet als “pro-Poetin”. Dat is geen toeval: het is een hoofdkenmerk van de westerse liberale mentaliteit om ieder debat of meningsverschil zoveel mogelijk in ad hominem-termen te gieten, aangezien het individu er geldt als de fundamentele eenheid van de samenleving. Buitenlandse politieke leiders vormen daarbij een dankbaar mikpunt. Zo wordt elk conflict gereduceerd tot een veronderstelde “wil tot macht” van zogenaamde “dictators”. Wij zagen dit al eerder tijdens de neokoloniale en imperialistische ondernemingen van het Westen in Irak, Libië en Syrië, waar Saddam Hoessein, en Bashar al-Assad telkens de ultieme belichaming van het conflict moesten vertegenwoordigen. Niet alleen Nietzsche maar ook Thomas Carlyle, en diens great men of history, zijn volgens deze voorstelling van de zaken weer helemaal terug van weggeweest. Of hoe de verwantschap tussen liberalisme en sociaal darwinisme veel groter is dan men meestal geneigd is om toe te geven: beide beschouwen het geatomiseerde individu als drijvende kracht achter de geschiedenis en gaan uit van het recht van de sterkste.
Hoewel de natiestaat binnen het westerse liberalisme in belangrijke mate in diskrediet is geraakt, bestaat er onder de westerse liberale intelligentsia toch een hardnekkige neiging om de oorlog in Oekraïne uitsluitend te beschouwen als een conflict tussen twee natiestaten, waarbij een groter land een zgn. “agressie-oorlog” tegen een kleiner land voert. Het grotere land is dan per definitie “imperialistisch”, louter op basis van deze oppervlaktecriteria. Tegelijkertijd schemert de impliciete erkenning door dat het hier ook om een botsing tussen civilisatiestaten gaat. Want, zo heet het, de Oekraïners vechten niet alleen voor “hun” vrijheid, maar ook voor “onze waarden”. Welke waarden dat dan precies zijn? Welnu, “Europese waarden”. Daarmee wordt impliciet een scheidslijn getrokken tussen Europa en Eurazië, of concreet: tussen Europa en Rusland. Want hoezeer het westerse liberalisme zichzelf als universeel presenteert, in werkelijkheid is (West-)Europa uitgegroeid tot een “civilisatiestaat” die als laatste bolwerk datzelfde liberale universalisme in stand houdt, nu de Verenigde Staten onder Donald Trump een afwijkende, rechts-conservatieve en pragmatische koers zijn gaan varen.
Dit alles wordt overgoten met een saus van simplistische slogans, zodat de boodschap snel verteerbaar blijft voor een oppervlakkig, intellectueel lui publiek dat voornamelijk vanuit de onderbuik reageert. De kern daarvan is de voorstelling van de oorlog in Oekraïne als een manicheïstische strijd tussen licht en duisternis, tussen “vrijheid” en “dictatuur”. Niet toevallig maakte het leger aan pro-Oekraïense propagandisten — vanaf eind 2021 in versneld tempo door NGO’s ingehuurd om de publieke opinie op westerse sociale media te beïnvloeden en rijp te maken voor een langdurig conflict met Rusland — gretig gebruik van beeldtaal ontleend aan de (verfilmde) boeken van J.R.R. Tolkien (met het Kremlin als “Mordor”, en de Russen als “orks” – een retoriek die in eender welk ander geval terecht tot scherpe veroordelingen voor racisme zou leiden), waarin de strijd tussen het goede en een absoluut kwaad ook centraal staan.
Ondertussen worden dissidente stemmen in Europa gemakshalve afgeschilderd als “pro-Poetin”, vanuit de aanname dat het telkens zou gaan om persoonlijkheden die hoog scoren op Adorno’s F-schaal: fragiele persoonlijkheden met een hang naar autoriteit en een moreel eenduidig wereldbeeld. Poetin zou voor hen dan verschijnen dan als de sterke beschermer die orde en nationale trots belichaamt tegenover de vermeende chaos, onzekerheid en morele zwakte van het Westen, waarop zij hun innerlijke angsten projecteren. Dit zegt wellicht meer over het vijandbeeld van de Westerse liberalen en hun eigen angsten, dan over de beweegredenen van veel Europeanen om vrede met Rusland hoger te in te schatten dan één of andere liberale jihad in naam van “onze waarden”. Anti-imperialisten zien echter nog een andere dimensie achter het conflict in Oekraïne, namelijk dat Rusland door het handhaven van haar eigen soevereiniteit als grote staat op het wereldtoneel, los van het “regime” waardoor het geleid wordt, een objectieve dam is gaan vormen tegen het Westers imperialisme, dat sinds het ineenstorten van de Sovjet-Unie geen uitdager van formaat meer heeft gekend. Samen met de fenomenale opkomst van China als socio-economisch succesmodel en de opstanden tegen het neokolonialisme in het Globale Zuiden (Palestina, West-Afrika en bepaalde landen in Latijns-Amerika) vormt dit een revolutionair kantelpunt in de geschiedenis dat de -tot voor kort onbetwiste- “unipolaire” wereldorde op zijn kop zet, d.w.z. de werelddominantie door de Verenigde Staten en haar bondgenoten, en het daarmee verbonden kapitalistische en neoliberale wereldsysteem.
Implosie van het Sovjetsysteem
Om voorbij te gaan aan deze karikaturale voorstelling, moet eerst worden vastgesteld wat het huidige systeem in Rusland precies inhoudt. Rusland is geen communistische staat — ook al wordt dat in bepaalde rechtse kringen, tot in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden toe, nog steeds zo voorgesteld. Het marxisme-leninisme, dat tussen 1917 en 1991 de ideologische ruggengraat van het Sovjetsysteem vormde, is er niet langer de officiële staatsideologie. In de plaats daarvan is een vorm van staatskapitalisme ontstaan, dat zich ideologisch beweegt tussen een conservatief nationalisme en sociaaldemocratie, en aarzelend zoekt naar een samenhangende doctrine om de ideologische leegte te vullen die het verdwijnen van de Sovjetideologie heeft achtergelaten.
Na de implosie van de Sovjet-Unie — als resultaat van decennia van revisionisme en economisme — werd in de jaren negentig een harde liberalisering en privatisering van de samenleving doorgevoerd. Van economisme was sprake omdat het socialistische, marxistische project steeds verder werd vernauwd tot louter economische kwesties: productie, groei, lonen en materiële verdeling, zonder aandacht voor de bredere ideologische, culturele of politieke dimensie van de strijd. Van revisionisme omdat sinds Chroestsjovs “geheime rede” een groot deel van de eigen stichtingsmythes werd ondergraven — mythes die nochtans hadden gezorgd voor ideologische hegemonie en maatschappelijk draagvlak. De economische en politieke maatregelen die onder Jozef Stalin werden ingevoerd, waren ongetwijfeld vaak draconisch, maar ze boekten op middellange termijn wel succes: de snelle modernisering en industrialisering van een voormalige feodale landbouwstaat, de opbouw van een stabiele staatsstructuur die de nazi-invasie wist te weerstaan, en niet te vergeten: een aanzienlijk draagvlak onder brede lagen van de bevolking. Dat laatste wordt door westerse historici van het kaliber Timothy Snyder en Orlando Figes maar al te graag over het hoofd gezien. Zoals de Oekraïense socioloog Volodymyr Ishchenko heeft aangetoond, is het juist het destalinisatieproces dat de Sovjetburgers uiteindelijk cynisch heeft gemaakt over het socialistische project en ondergroef het -in gramsciaanse termen- de hegemonie van het staatsapparaat – iets wat zich in de post-Sovjetperiode a fortiori heeft doorgezet.

Beide tendenzen culmineerden onder de politiek van glasnost en perestrojka van Mikhail Gorbatsjov. Waar China onder Deng Xiaoping vanaf het einde van de jaren zeventig de weg insloeg van een gecontroleerde, pragmatisch geleide markthervorming, probeerde Gorbatsjov in de Sovjet-Unie hetzelfde te bereiken via een ideologisch beladen herstructurering van het systeem. Zijn perestrojka koppelde economische hervorming aan politieke en ideologische “openheid” (glasnost), wat leidde tot de ontbinding van de partijdiscipline en het verlies van legitimiteit van de staat. In China daarentegen werden marktelementen stapsgewijs ingevoerd zonder de greep van de Communistische Partij te verzwakken: economische liberalisering ging er hand in hand met staatscontrole en het behoud van een socialistische ideologie. Waar Gorbatsjov de fundamenten van het systeem probeerde te hervormen en tegelijk de muren afbrak, verstevigde Deng juist die fundamenten om de hervorming te laten slagen. In de Sovjet-Unie leidde dit uiteindelijk tot een implosie van het systeem, daar waar het “socialisme met Chinese karakteristieken” het land geleidelijk tot één van de leidende economieën ter wereld verhief.
“Schoktherapie” en de catastrofale implementatie van het neoliberalisme
De glasnost maakte het spook van het chauvinistisch en opportunistisch nationalisme wakker. Ondanks het feit dat driekwart van de bevolking had aangegeven voor het behoud van de unie te zijn in het “Referendum over de behoud van de Unie van Soevereine Staten” in maart 1991, deelden de cynisch geworden nomenklatura de koek na de mislukte poging tot restauratie van het Sovjetsysteem en het afzetten van Gorbatsjov in augustus 1991. Na de val van de Sovjet-Unie wilden westerse financiële instellingen — onder leiding van het IMF, de Wereldbank en Amerikaanse ministeries — Rusland zo snel mogelijk omvormen tot een markteconomie. In Rusland trad Goldman Sachs in de jaren negentig op als een van de belangrijkste westerse financiële adviseurs van de Russische regering. De bank speelde een sleutelrol bij de liberalisering en privatisering van staatsbedrijven, bij de uitgifte van staatsobligaties en bij de integratie van Rusland in de internationale kapitaalmarkten. Onder het mom van modernisering en economische rationalisering werd het land onderworpen aan een neoliberaal hervormingsprogramma dat in werkelijkheid de opkomst van een nieuwe oligarchische klasse faciliteerde. Goldman Sachs en gelijkaardige instellingen verleenden technische en symbolische legitimiteit aan dit proces, maar droegen tegelijk bij tot de ontwrichting van de Russische economie en de sociale catastrofe die de overgang naar het kapitalisme kenmerkte.
Goldman Sachs adviseerde de Russische regering bij privatisering en schulduitgiftes, fungeerde als poortwachter voor westerse investeerders, profiteerde van de financiële liberalisering en speelde een stille maar strategische rol in de integratie van Rusland in het mondiale kapitalistische systeem — op westerse voorwaarden. Dit gebeurde via massale privatiseringen, de zogenaamde shocktherapie. De VS en westerse banken zagen dat als een unieke kans om invloed te verwerven in een gigantische nieuwe markt.

Goldman Sachs positioneerde zich vanaf het midden van de jaren 1990 als adviseur van de Russische regering, met name bij privatiseringen van staatsbedrijven, herstructurering van schulden en later ook uitgiftes van Russische staatsobligaties. Een sleutelmoment was 1996, toen Goldman Sachs werd aangesteld om Rusland te helpen toegang te krijgen tot internationale kapitaalmarkten — een prestigeopdracht die bedoeld was om het Westen gerust te stellen dat Rusland “open for business” was. De bank fungeerde in die tijd als een soort brug tussen Russische machthebbers (met name het kamp rond Jeltsin) en westerse investeerders.
Hoewel Goldman niet de enige speler was, zat ze in een netwerk van westerse adviseurs (de zogenaamde “Harvard boys” zoals Jeffrey Sachs, Anders Åslund, en de Harvard Institute for International Development) die allemaal bijdroegen aan de neoliberale hervormingen.
Goldman leverde onder meer technische expertise en investeringsadvies — maar ook politieke dekking: haar aanwezigheid gaf het beleid een “professioneel” imago, terwijl in werkelijkheid oligarchen en insiders enorme fortuinen vergaarden via de privatiseringen.
De gevolgen voor de gewone Russische bevolking waren catastrofaal. Valuta en prijzen werden geliberaliseerd en subsidies werden afgeschaft, met een hyperflatie van verschillende honderden procenten in 1992-1993 tot gevolg. Vele Russen verloren hun spaargeld en pensioenen, en de reële inkomens daalden in enkele jaren met de helft. Staatsbedrijven werden geprivatiseerd en vele mensen verloren hun baan. Miljoenen vielen onder de armoedegrens terwijl gezondheidszorg en sociale voorzieningen compleet geërodeerd werden. De levensverwachting daalde dan ook aanzienlijk door dit ineenstortend zorgsysteem, toenemend alcoholgebruik en psychologische stress onder dit plotseling geïntroduceerde turbokapitalisme. Men, T., et al. (2003): Russian mortality trends for 1991–2001: analysis by cause and age, berekenden dat de veroorzaakte de shocktherapie in de vroege jaren 90 een oversterfte van 2,5 tot 3 miljoen mensen. Minder conservatieve analyses, zoals in Rosefielde, S. (2001): Premature Deaths: Russia’s Radical Economic Transition in Soviet Perspective, spreken zelfs over 3 tot 6 miljoen doden wanneer de indirecte effecten van armoede tussen 1991 en 1998 zoals honger, alcoholgerelateerde ziekten en sociale ontwrichting in rekening worden gebracht.
Dezelfde schoktherapie werd overigens ook toegepast in Oekraïne en ook daar waren de gevolgen navenant. De hyperflatie liep in sommige jaren op tot 10 000%, dezelfde dubieuze privatiseringen leiden tot een oligarchisering van de samenleving, de reële inkomens kelderden en de gezondheidszorg en sociale voorzieningen implodeerden. De armoede nam exponentieel toe, de levensverwachting daalde gevoelig. Aan het begin van dit decennium was het BBP van de Oekraïense staat kleiner dan dat van de Oekraïense Voksrepubliek in 1991, op dat moment nog de vijfde grootste economie in Europa.
Vladimir Poetin en de opkomst van het “poetinisme”
Het is onder deze omstandigheden van Vladimir Poetin rond de eeuwwisseling de macht overneemt van Boris Jeltsin. Het nieuwe bewind veroorzaakt geen systemische breuk, maar algauw onderscheidt Poetin zich van zijn voorganger door het feit dat hij orde op zaken wil stellen in de politieke, sociale en economische chaos waar in de Russische Federatie is vervallen. Hij centraliseerde de politieke macht door de verregaande autonomie van de deelrepublieken en regio’s aan banden te leggen, iets wat anders onvermijdelijk tot de balkanisering van de Russische Federatie zou hebben geleid (iets waar liberale extremisten zoals Gunter Fehlinger van dromen, hierin gevolgd door menig Europees “volksnationalist”). Federale districten en presidentiële afgevaardigden moeten de greep van Moskou op de regio’s verstevigen. Regionale potentaten en oligarchen werden aan banden gelegd – indien nodig met harde hand. Strategische sektoren, bijvoorbeeld gas en olie, werden opnieuw genationaliseerd onder staatsbedrijven als Gazprom en Rosneft. Sociale programma’s voor pensioenen, gezondheidszorg en kinderbijslagen werden geïntroduceerd om de neoliberale kaalslag in het sociale zorgweefsel een halt toe te roepen, op een manier die enigszins herinnert aan de West-Europese sociaaldemocratie voordat die in het Blairtijdperk voor het neoliberalisme capituleerde. Dit ging gepaard met een groeiende controle op de politiek. In de jaren 90 hadden enkele zakenmagnaten — Berezovski, Gusinski, Chodorkovski, Abramovitsj, Potanin, enz. — via de “leningen-voor-aandelen”-deals gigantische delen van de voormalige staatsindustrie in handen gekregen. Ze controleerden olie, gas, media, banken, en zelfs politieke campagnes. De strategische sektoren werden nu niet alleen opnieuw genationaliseerd, in politiek opzicht werden de oligarchen vervangen door nieuwe elites: de zogenaamde “siloviki”, bestaande uit mensen afkomstig van sleutelposities in de veiligheidsdiensten en het leger. Dit nam niet weg dat bepaalde oligarchen wel degelijk nog steeds miljoenen verdienden in de economie, maar dan nu onder strakkere controle van de staat.
In het eerste decennium van de nieuwe eeuw consolideerde Poetin aldus gedeeltelijk de Russische samenleving. In tegenstelling tot wel eens wordt beweerd ging het niet om een “terugkeer naar de Sovjet-Unie” maar om de introductie nieuw staatskapitalistisch systeem met sociale correcties dat een aantal van de meest brute excessen van het wilde kapitalisme uit de jaren 90 ongedaan maakte. Poetin zorgde niet alleen op sociaaleconomisch vlak voor meer stabiliteit; hij zette ook de eerste stappen richting een herstel van wat men zag als de oude geopolitieke macht van Rusland – met name binnen het Eurazische continent (in casu: de voormalige Sovjet-republieken). Toch hoort daar een belangrijke kanttekening bij: hoe hardnekkig men (vooral vanuit conservatieve hoek) ook geneigd is om Schmittiaanse of Mackinderiaanse schema’s op de Sovjet-buitenpolitiek te plakken, die bleef in essentie iets heel anders dan het geopolitieke handelen van het tsaristische Rusland of van om het even welke imperialistische macht uit de negentiende en twintigste eeuw. De Sovjet-Unie had namelijk een ideologische, marxistisch-leninistische missie, geen dynastiek-territoriale zoals het feodale Russische tsarenrijk, en zeker geen imperialistische ambities zoals de Westerse (neo)koloniale rijken die grondstoffen proberen te extraheren, nieuwe markten te openen en kapitaal te laten circuleren. Hierbij erkende de Sovjet-Unie het recht op zelfbeschikking van alle volkeren, steunde het antikoloniale bewegingen wereldwijd en probeerde het bestaande socialistische regeringen te beschermen, in eerste instantie in Oost-Europa maar later ook ver daarbuiten. Stellen dat de Sovjet-Unie niets anders was dan een nieuwe “avatar” van het oude Russische Rijk, gaat dus volledig voorbij aan een aantal belangrijke ideologische realiteiten in de bipolaire wereld van de tweede helft van de twintigste eeuw, waarin kapitalisme en socialisme existentiële vijanden waren die elkaar bestreden voor de toekomst van de planeet.

Aan het begin van Poetins regeerperiode moest eerst nog de orde hersteld worden in de opstandige deelrepublieken in de Kaukasus, waar niet alleen het etno-nationalisme maar ook het door de Golfstaten gesponsorde wahabisme voet aan de grond hadden gekregen. Het ging hierbij in de eerste plaats om Tsjetjenië, dat al jaren werd verscheurd door een reeks van bloedige burgeroorlogen. Onder Poetin werd de oorlog snel beëindigd door, na een aantal militaire overwinningen, de familie Kadyrov als lokale machthebbers te installeren. Dit vormde tevens het startsein voor het nieuwe multi-etnische en federale model dat de Russische Federatie zou kenmerken. Ondanks alle mythes over “russificatie” en “een gevangenis der volkeren”, die door liberale en “volksnationalistische” voorvechters van een balkanisering van Rusland worden verspreid, bouwt dit systeem deels voort op de Sovjet-erfenis, maar dan binnen een dialectisch spanningsveld van subsidiaire en centralistische tendensen die de autonome republieken weliswaar in staat stellen om een hoge mate van zelfstandigheid te behouden binnen de domeinen waar dit van toepassing is, maar toch onder stevige controle blijven van Moskou in gevoelige sectoren en kwesties waar in het verleden misbruik, corruptie en ook separatistische tendensen (niet zelden geboren uit opportunisme) de overhand kregen.
Voor het wegvallen van de Sovjetideologie diende Poetin ook een alternatief te vinden om de hierdoor ontstane leemte in te vullen. Hiervoor werd een vorm van Russisch nationalisme nieuw leven in geblazen. Het ging hierbij niet om een reactionair monarchistisch tsarisme, noch om hetzelfde radicaal extreemrechts etnisch nationalisme dat in de onderbuik van de Russische samenleving was aan het groeien op de puinhopen van de jaren 90, maar om een nieuwe vorm van staatsnationalisme dat geleidelijk aan overging in de ideologie van de “beschavingsstaten”, zoals die niet alleen in Rusland, maar ook in China in toenemende mate ontwikkeld werd. Poetin ging hier aanvankelijk slechts schoorvoetend mee aan de slag. De Russische samenleving was na de koude douche van de jaren 90 in belangrijke mate gedepolitiseerd. Het feit dat de nieuwe regering niet alleen erin was geslaagd om de leefomstandigheden van de bevolking opnieuw te verbeteren, maar ook het aantal symbolische nationale vernederingen, die Poetin aan het begin van zijn regeerperiode nog van het falende systeem van zijn voorgangers had overgeërfd -zoals het zinken van de duikboot Koersk of de desastreuze gijzelingen in de school in Beslan en het Doebrovka-theater in Moskou- verder wist te reduceren, was aanvankelijk voldoende om het land nieuwe hoop te geven in de toekomst.
In het tweede deel gaan we dieper in op hoe zich geleidelijk aan een breuk ontwikkelde met het Westen vanaf 2007, hoe dit alles uiteindelijk heeft geleid tot de Speciale Militaire Operatie in 2022, en welke de invloed daarvan is op de verdere politieke en ideologische evolutie van Rusland.
































