Inleiding
Om met de deur in huis te vallen: ja, de Europese Unie (EU) is een instrument van het monopoliekapitaal en de banken, niet van de werkende klasse! Haar beleid (zoals begrotingsdiscipline, liberalisering, bezuinigingen) versterkt het kapitalisme en ondermijnt rechten en belangen van de werkende klasse. Omdat het vertrekpunt een economische eenmaking was binnen een kapitalistisch bestel, kan de EU niet “hervormd” worden tot een sociaal Europa. Achter de liberale retoriek gaat een meedogenloze, ondemocratische bureaucratie schuil die neoliberaal economisch beleid, privatisering en uitbesteding afdwingt in haar lidstaten. De leiders van de kernlanden, zoals Duitsland en Frankrijk, hebben de EU gebruikt om perifere lidstaten te dwingen de zware kosten van de financiële crisis van 2008 te dragen. Nu zien we een verschuiving naar grotere militaire integratie, nu de Europese Unie probeert om als imperialistische macht het wereldtoneel te betreden en zich los te maken van de vleugels van het Amerikaanse imperialisme. Het zal de werkende klasse zijn die als offerlam op het altaar van de oorlogspolitiek wordt geofferd. Illusies over de EU zijn wijdverbreid, vooral in de nasleep van de Brexit, maar het is van cruciaal belang dat de kritiek op de EU niet overgelaten wordt aan extreemrechts dat zich steeds weer ontpopt tot politieke lakei van het grootkapitaal en/of van de Amerikaanse geopolitieke belangen. We moeten als sociaal- en nationaalrevolutionairen de waarheid vertellen over deze gevangenis van volkeren, naties en de werkende klasse die de EU is.
Het groeiend negatief beeld
Internationaal politiek machteloos en een democratisch deficit
De perceptie van de Europese Unie verandert bij een groeiend deel van de publieke opinie, waarbij de EU steeds meer gezien als de gecentraliseerde bureaucratische machine die in toenemende mate controle op de informatiestromen, de politieke dynamiek en de interpretatie van vrijheid en democratie uitoefent ten koste van de bevolking. Vooral het handelsakkoord tussen de Verenigde Staten en de EU dat eind juli 2025 werd aangekondigd, heeft aan de internationale publieke opinie duidelijk gemaakt hoe zwak de EU is, Von der Leyen maakte de kapitalistische vazallenstatus zichtbaar. De VS heft een basistarief van 15 procent op ongeveer 70 procent van de goederen die Europese bedrijven op de Amerikaanse markt brengen (1).

De complete afwezigheid van de Europese Unie in de onderhandelingen tussen Rusland en de VS met betrekking tot Oekraïne, illustreert ondertussen perfect wat het -historisch gegroeide- structurele probleem van de EU uitmaakt: de economische reus is een politieke dwerg die de wetmatigheden van het kapitalisme en de willen en grillen van de hegemoon van het imperialistische westen, de VS, ondergaat. Europa wordt vernederd, waarbij Trump eens te meer de afhankelijkheid van het continent van de Amerikaanse macht en technologie benadrukt. De liberale machtselites van de EU en de grote Europese mogendheden voeren een kortzichtig liberaal beleid dat de afgelopen jaren tot een feitelijke recessie heeft geleid. Door sancties tegen Rusland op te leggen en relatief goedkoop Russisch gas te weigeren, heeft men Europa zware schade berokkend. Het falend sanctiebeleid tegen de Russische Federatie (de EU vertegenwoordigt slechts 10% van de totale export van Rusland), gevolgd door sancties tegen China en, in het algemeen tegen elke politieke realiteit die niet in de gratie staat bij de as VS-VK, gaat ten koste van de Europese naties en de belangen van de werkende klasse in Europa.
Verkiezingen en besluitvormingsprocessen in de Europese Unie zouden, net als in veel andere democratische contexten, de wil van het volk moeten weerspiegelen. In de praktijk worden ze echter steeds beschouwd als een institutioneel ritueel zonder echte invloed op fundamentele politieke keuzes en, bovenal, zijn ze geen uitdrukking van de werkelijke wil van het volk, ze zijn niet representatief. Belangrijke beslissingen worden niet genomen door gekozen regeringen of nationale parlementen, maar door communautaire organen die vaak worden geleid door een technocratische logica, kapitaalkrachtig lobbywerk en door dominante kapitalistische belangen binnen het EU-systeem. Met dit eigen democratisch deficit, gaat een toenemende inperking van kritische stemmen en regulering van digitale platforms gepaard. De EU is een machtsinstrument geworden voor het inperken van politieke dissidentie en controle over het publieke debat. In die zin wordt het voor revolutionaire socialisten, communisten, nationaalrevolutionairen,… steeds moeilijker om tegengewicht te bieden aan het neoliberale “there is no alternative”. Dat gewenste sociaal Europa kan en zal er binnen het kader van de EU echter nooit komen… De EU is een disfunctionele en tegenstrijdige poging tot een transnationale staat, opgericht in het belang van het kapitalisme, met een imperialistische strategie die vanaf het begin centraal stond in het project na de Tweede Wereldoorlog.
De EU tegen de vrije volkeren
De EU is geen bondgenoot van staatloze volkeren omdat zij primair een unie van bestaande staten is, niet van volkeren. Dat is geen toeval, maar een bewuste keuze sinds haar ontstaan. Juridisch gezien kunnen alleen erkende staten kunnen lid worden en alleen regeringen van lidstaten kunnen onderhandelen, stemmen en beslissen. Volkeren zonder eigen staat (bv. Vlamingen, Catalanen, Basken, Corsicanen, Schotten vóór Brexit,…) hebben geen formele positie in dit systeem. De EU heeft er belang bij dat lidstaten stabiele doorgeefluiken blijven en niet uiteenvallen. Als de EU expliciet zelfbeschikkingsbewegingen zou steunen, ontstaat er een precedent waarop andere regio’s zich zouden kunnen op beroepen. Dat is meteen de hoofdreden waarom de Belgische staat en haar machtselite, maar ook de eenheidsgezinde krachten in Spanje, Frankrijk,… nooit de onafhankelijkheid van een Europees volk uit een bestaande EU-lidstaat zullen aanvaarden. De burgerlijke Vlaamse beweging is in deze kwestie bijzonder naïef, gelovend dat men andere Europese lidstaten die zelf separatistisch gezinde regio’s hebben, zal kunnen overtuigen om een Vlaamse onafhankelijkheid te erkennen.
Hoewel het recht op zelfbeschikking van volkeren erkend is in het internationaal recht (VN-verdragen), geldt dit in de politieke praktijk voor de westerse imperialistische kern vooral in koloniale context waarbij belangen veiliggesteld kunnen worden. Binnen de Europese EU-lidstaten wordt zelfbeschikking dan geïnterpreteerd als een systeembevestigende culturele autonomie, taalrechten en regionaal zelfbestuur. Het Belgisch federalisme als middel tot behoud van de bestaande machtsstructuren en de Belgische monarchie gelden hierin als schoolvoorbeeld. De EU volgt deze burgerlijke inperkende interpretatie van het recht op zelfbeschikking. Omdat de EU gebaseerd is op haar samenstellende natiestaten, ziet de EU óók emancipatorisch volksnationalisme als een bron van conflict, waarbij vanuit het liberaal denkkader grensafbouw naar voren wordt geschoven om te vermijden dat elk staatkundig status quo doorbroken wordt. De EU focust op mensenrechten, minderheidsrechten, vrij verkeer van personen/goederen/diensten en formele gelijkheid, maar net zoals de werkende klasse nooit de middelen zal krijgen om haar rechten (op gelijkheid) uit te oefenen, bestaan volkeren niet of nauwelijks in juridische EU-context. Er is geen Europees recht op nationale zelfbeschikking, er is geen Europees mechanisme voor staatloze naties.
Het Catalaanse referendum van 2017 sprak boekdelen. Het was het duidelijkste bewijs dat het ontvoogdingsstreven van volkeren in Europa op revolutionaire leest moet geschoeid worden en niet op reformistische, burgerlijke wijze kan voldaan worden. Hoewel fundamentele burgerrechten zichtbaar onder druk stonden, werd bij monde van de EU Commissievoorzitter Juncker verkondigd dat dit een interne Spaanse aangelegenheid was. Spanje stuurde haar repressieapparaat op volle sterkte richting Catalonië. Bejaarde Catalanen die hardhandig uit stemlokalen werden geklopt en gesleurd, stelden: “We wilden stemmen, niet vechten.” De EU heeft Spanje nooit formeel veroordeeld voor het geweld, het nodigde wel Catalaanse ondernemers uit die de band met Spanje wensten te behouden. De alcoholicus Juncker zei later letterlijk dat hij “geen Europa van 98 staten” wilde, een zeldzaam eerlijk moment waarin het echte motief werd uitgesproken. Europese neutraliteit is niets anders dan stilzwijgende steun aan het status quo, in 2017 was dat aan Madrid. De gebeurtenissen rond Catalonië in 2017 tonen aan dat de EU, wanneer ze moet kiezen tussen democratische zelfbeschikking van een volk en territoriale integriteit van een lidstaat, altijd voor de lidstaat kiest, zelfs ten koste van haar eigen zogezegde “waarden”. Catalonië liet in 2017 zien dat een vreedzame, liberaalgezinde, pro-Europese beweging die meent op te komen voor zelfbeschikking en onafhankelijkheid, met massale burgerparticipatie, binnen de EU minder bescherming krijgt dan geopolitiek en imperialistisch nuttige bewegingen buiten de EU. Bijgevolg is deze strategie tot mislukken gedoemd. De burgerlijke Vlaamse beweging is hiervoor tot op de dag van vandaag stekeblind. Meer nog, ze neemt soms de staatsnationalistische retoriek over die vooral in de kaart speelt van de grote landen.
Geschiedenis van de EU
Een verhaal van Atlantisme en handelskapitalisme
De basisgedachte was steeds dat men via economische eenmaking uiteindelijk tot politieke eenmaking kon komen. En net daarin ligt de oorzaak voor de politieke machteloosheid en het vrij spel dat het grootkapitaal krijgt. Na de Tweede Wereldoorlog beloofden de VS om de Europese mogendheden militair te beschermen en richtten ze in 1949 de NAVO op. België was hierbij betrokken verdragspartij. Het Marshallplan van omgerekend ongeveer 130 miljard dollar hielp de VSA om af te geraken van hun overproductie en terzelfdertijd West-Europa te behoeden voor het communisme dat na de overwinning in WO2 sterk aan populariteit had gewonnen. De Amerikanen voegden als één van de voorwaarden toe dat Europa haar nationale markten moest toegankelijker maken door ze samen te voegen: de eerste “open grenzen”. De VS gaven goederen en diensten aan regeringen, die deze vervolgens doorverkochten aan bedrijven en particulieren. Het Schumanplan van 1950 was een plan om de Franse en West-Duitse kolen- en staalproductie onder één autoriteit te brengen. Dit leidde tot de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), met als gepropageerd doel de staalindustrie als ruggengraat van (her)bewapening weg te halen vanonder nationale controle. Het Verdrag van Parijs richtte de Hoge Autoriteit (nu de Europese Commissie) en de zogenaamde Gemeenschappelijke Vergadering (nu het Europees Parlement) op. De Hoge Autoriteit was het niet-gekozen kabinet van de unie. De leden ervan werden benoemd, niet gekozen.

Frankrijk, West-Duitsland, Italië en de Benelux-landen vormden de Europese Economische Gemeenschap (EEG) door in 1957 het Verdrag van Rome te ondertekenen. De motivatie was ook hier dat integratie toekomstige oorlogen zou voorkomen, maar de waarheid was dat ze vochten voor het herstel van verloren macht. De Fransen wilden de nieuwe unie gebruiken om hun economische macht op te bouwen en hun afbrokkelende imperium te behouden. De West-Duitsers konden het gebruiken als dekmantel om hun economische macht over Europa op te bouwen achter een retoriek van samenwerking. Dit ging hand in hand met het opbouwen van militaire macht via de NAVO. De Duitsers wisten dat niemand Duitsland als een op zichzelf staande militaire macht zou accepteren, dus vochten ze voor economische dominantie. Het Verdrag van Rome was duidelijk in zijn ambitie om alle belemmeringen voor de vrije handel weg te nemen. Ze wilden een douane-unie, een gemeenschappelijk beleid en uitbreiding naar de rest van Europa. De kapitalist Jean Monnet begreep dat hij door te beginnen met kolen en staal druk kon uitoefenen op regeringen om een steeds groter wordend scala aan productie te bundelen. Het Verdrag van Rome vormde de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en een Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. Deze twee nieuwe gemeenschappen werden los van de EGKS opgericht, hoewel ze dezelfde rechtbanken en dezelfde Gemeenschappelijke Vergadering hadden. Ze hadden elk hun eigen “commissie” (een nieuwe naam voor hun “Hoge Autoriteit”).
Het imperialistisch Europese project werd geholpen door het zogenaamde gouden tijdperk van het kapitalisme na de oorlog. De enorme vernietiging van kapitaal tijdens de oorlog, de wederopbouw en de grote uitgaven voor de wapenwedloop zorgden voor een tijdelijke kapitalistische bloei die twee decennia duurde en pas aan het eind van de jaren zestig begon te haperen, om vervolgens met de oliecrisis van 1974 in te storten. Door het economische succes in deze periode te koppelen aan het beleid, wordt voorbijgegaan aan het feit dat deze bloei eigenlijk is ontstaan door de enorme vernietiging van mensenlevens en kapitaal tijdens de oorlog.
Frankrijk begon zich ongemakkelijk te voelen bij de Europese allianties, met name bij het idee van een militaire unie en de deelname van Groot-Brittannië. Het Franse grootkapitaal zag het Amerikaanse imperialisme nog steeds als een rivaal en Groot-Brittannië was nauw verbonden met de VS. Dit was een belangrijk verschil tussen de VS, als een federatie van staten, en de EU, als een federatie van concurrerende imperialistische machten. Deze landen hadden zowel gemeenschappelijke belangen als tegengestelde belangen. Ondanks deze Franse bedenkingen werd in april 1965 in Brussel het “Fusieverdrag” ondertekend, waardoor de EGKS, de EEG en de Atoomgemeenschap werden samengevoegd. Een nieuwe, niet-gekozen Commissie van de Europese Gemeenschappen zou de bestuursorganen van de andere groepen vervangen. Het Europees Hof van Justitie was in 1952 opgericht, maar door baanbrekende zaken in de jaren zestig kreeg het jurisdictie over nationale rechtbanken. Dit was een ander niet-gekozen orgaan met rechters die door de lidstaten werden benoemd, maar deze benoemde rechters hadden enorme macht over de landen (2).
De vakbonden raakten ook in de gewoonte om een beroep te doen op de hogere machten in de EEG voor het bekomen van progressieve wetgeving, zoals gelijke beloning. Maar deze houding werkte averechts en ontnam de werknemers hun macht. Waarom zou je tegen de nationale regering vechten als de Europese Commissie de nationale regering zou verplichten wetgeving in te voeren, was de redenering. Maar wat gebeurde er als de Commissie maatregelen oplegde die niet in het belang van de werkende klasse waren? Een zwakke strategie dus, die steunde op juridische verklaringen van de EU in plaats van op de macht van de werknemers, die de vakbonden na de militante jaren 1960 juist wilden ondermijnen. Naast de vakbonden is ook de Europese sociaaldemocratische partijpolitiek zich op deze noodlottige weg gaan focussen. Een schoolvoorbeeld was het Handvest van de grondrechten van werknemers dat in de EEG werd aangenomen. Het kreeg uiteindelijk geen wettelijke basis in het Verdrag van Rome en zou geen juridisch bindende werking hebben voor de lidstaten. Dit stond in schril contrast met maatregelen die de werkgevers hielpen. Het neoliberalisme werd daarmee zelfs vastgelegd in de statuten van vakbonden en strikt gehandhaafd.
De Europese Akte van 1986 ging nog een stap verder. Lord Cockfield, door Margaret Thatcher benoemd tot vicevoorzitter van de Commissie, speelde een cruciale rol bij het opstellen van een witboek waarin werd voorgesteld om 300 “handelsbelemmeringen” weg te nemen. De regering van Thatcher was de speerpunt van het neoliberale kapitalisme: ze wilden alles wat publiek was privatiseren en uitbesteden, en de neoliberale aanpak in Europa verankeren. De EU moest tegen december 1992 een interne markt hebben en de Europese Gemeenschap zou, in de woorden van socioloog Wolfgang Streeck, meer dan ooit “een machine voor de liberalisering van het Europese kapitalisme” worden.
Maar pro-kapitalistische beleidsmaatregelen waren er vanaf het begin al, aangezien de EEG-oprichting was beïnvloed door Duitse ‘ordoliberalen’ die geloven dat de staat een rol heeft bij het creëren van de beste omstandigheden voor kapitalisten. Ook neoliberalen beweren in theorie dat ze de staat willen beperken, maar in werkelijkheid speelt de staatsmacht een prominente rol bij het handhaven van de kapitalistische heerschappij. Winsten worden geprivatiseerd en aangepaste regulering wentelt de lasten af op de gemeenschap. Kijk maar naar Thatchers gebruik van staatsmacht om de mijnstaking neer te slaan, of naar de rol van de politieke overheden bij het redden van Europese private banken na de crash in 2008. Thatcher streed voor de uitvoering van het beleid dat door de bazen werd gedicteerd. De Europese Ronde Tafel van Industriëlen, bestaande uit 60 Europese zakenlieden, was in april 1983 bijeengekomen om meer Europese concurrentiekracht (codetaal voor aanvallen op werknemers) en een interne markt te eisen. Aan de bijeenkomst namen de CEO’s van Volvo, Thyssen, Olivetti, Fiat, Renault, Shell, Phillips, Nestlé en de Belgische Europees commissaris Étienne Davignon deel, de man die in 2025 door de Belgische federale procureur gevraagd werd om voor de strafrechter gebracht te worden vanwege zijn rol in de moord op de Congolese nationalist Patrice Lumumba in 1961.
Een andere lobbygroep was de Association for the Monetary Union of Europe, die in 1987 werd opgericht. Het was een machtige alliantie van enkele honderden Europese multinationals – waaronder Philips, BP, Volkswagen, Fiat, Alcatel en Solvay – en grote Europese banken. Volgens het Corporate Europe Observatory geven dergelijke bedrijven jaarlijks honderden miljoenen aan lobbyen bij de EU uit. Lenin had lang geleden al opgemerkt dat “hoe hoger de democratie is ontwikkeld, hoe meer de burgerlijke parlementen onderworpen zijn aan de beurs en de bankiers”. Elke kapitalistische natiestaat is een machine voor de onderdrukking van de werknemers in eigen land, die ervoor zorgt dat de beste omstandigheden worden gecreëerd voor kapitaalaccumulatie en die handelt in het belang van de machthebbende groep vaderlandsloze kapitalisten. Deze Europese transnationale staatsstructuren waren net zo goed een instrument in handen van de rijken als de staatsmachine van elke natiestaat. Het enige wat ze misten was een Europees leger. Maar ook dat probeerden ze stap voor stap te bereiken. De poging om een transnationale staatsstructuur op te leggen aan zeer verschillende economieën leidde echter tot scheuren.
De groeiende macht van Duitse bedrijven domineerde de Europese markten door de export van industrieproducten, en daarom wilden de Duitsers een sterke munt. In december 1991 verhoogde de Duitse Bundesbank de rente om de Duitse economie af te remmen. Ze beleefden een hausse nadat ze Oost-Duitsland hadden verwoest en alles wat ze konden ook privatiseerden en verkochten. Toen andere Europese staten gedwongen werden om de Duitsers te volgen, stortten hun economieën in. Dit leidde tot wat bekend staat als “Zwarte Woensdag” – een economische crash op 16 september 1992. Zelfs Duitsland raakte in een recessie. Het zogenaamde Rexrodt-rapport riep op tot een vermindering van de overheidsuitgaven en bezuinigingen op de uitgaven voor gezondheidszorg en werkloosheid. De Duitse arbeidersklasse zou voor de hereniging moeten betalen.
De stichting van de EU: meer markt, minder soevereiniteit en verzwakking werkende klasse
Met het Verdrag van Maastricht werden in 1992 de eerder bestaande Europese Gemeenschappen samengevoegd onder één noemer: de Europese Unie (EU) en betekende ook de institutionalisering van het neoliberalisme in Europa. Het verdrag legde de interne markt van de EU grondwettelijk vast en maakte vrije concurrentie, vrij verkeer van kapitaal, goederen, diensten en personen tot kernprincipes. Hiertoe werd de Europese Centrale Bank (ECB) opgericht met “onafhankelijkheid t.a.v. verkozen functionarissen”. De bankiers stonden meteen boven democratisch toezicht. De ECB kreeg als hoogste doel prijsstabiliteit, niet werkgelegenheid of economische ontwikkeling. De EU werd een vereenzelviging met monetaire politiek die “technocratisch” en “marktvriendelijk” moe(s)t zijn, zonder politieke inmenging. Restrictieve controle van de overheidsuitgaven en het verminderen van belemmeringen om de arbeidskosten te verlagen ten gunste van het privaat kapitaal. Arbeidsflexibiliteit was het belangrijkste economische mechanisme om de economie aan te passen, dat wil zeggen lagere lonen en meer onzeker werk. Het verdrag breidde de Economische en Monetaire Unie (EMU) uit, maar niet de sociale of democratische dimensie van de Europese eenmaking. Er kwam geen Europese fiscale unie om de massale fiscale fraude en belastingontwijking aan te pakken, noch een sterk sociaal beleid om verschillen tussen landen te compenseren. Dat versterkte de “marktmaatschappij” ten koste van de sociale staat. Het beleid dat in het Verdrag van Maastricht was vastgelegd, werd gebruikt om Ierland en Griekenland te vernietigen na de crash van 2008.
Maastricht zette de EU op weg naar meer gecentraliseerde controle over geld, terwijl de Duitse hereniging de machtsverhoudingen nog verder deed verschuiven in het voordeel van de West-Duitse kapitalisten. De economieën van het voormalige Oostblok werden onderworpen aan een neoliberale shocktherapie, terwijl de meeste Labour-achtige partijen het neoliberalisme omarmden en zich overgaven aan Thatchers mantra dat “er geen alternatief is”. Momentum is net zo belangrijk in de economie en de politiek als in oorlog, en de uitbreiding van de neoliberale orde naar het oosten ging gepaard met een interne intensivering van het neoliberale economische beleid, zoals vastgelegd in Maastricht en de daaropvolgende EU-verdragen. Met het Verdrag van Amsterdam van 1997 droegen de lidstaten nog veel meer bevoegdheden over aan de EU, onder meer op het gebied van burgerlijk en strafrecht, defensie, politie en veiligheid en immigratie.
De eeuwwisseling en het eerste decennium van de 21ste eeuw bracht in Europa een periode van verdere ontmanteling van zowel nationale soevereiniteit als van de macht van de werkende klasse. Met het Verdrag van Amsterdam moesten lidstaten meer bevoegdheden delen of afstaan aan Europese instanties op vlak van justitie en binnenlandse zaken. Het verdrag legde ook de basis voor een strenger financieel toezicht in de eurozone, waardoor landen minder vrijheid hadden in eigen begrotingsbeleid. Een eigen munt-, rente- of wisselkoersbeleid werd onmogelijk. Schokabsorptie bij economische crises die inherent zijn aan het kapitalistisch systeem, werd moeilijker. Bindende beperkingen op overheidstekorten (<3% van BBP) en schuld (<60% BBP) perkten fiscale soevereiniteit verder in. Het is ook de periode van de grootste EU-uitbreiding in haar geschiedenis (10 nieuwe lidstaten op 1 mei 2004). Nieuwe lidstaten moesten EU-wetgeving volledig overnemen (acquis communautaire), inclusief marktliberalisering, sociale regelgeving, en institutionele instellingen. Dit betekende dat beleid op arbeidsmarkt, pensioenen, sociale voorzieningen deels werd gedetermineerd door EU-regels, met minder nationale flexibiliteit. Het Europees Parlement kreeg meer bevoegdheden, nationale parlementen hadden nog minder invloed op EU-regelgeving. De periode 1997–2008 kenmerkte zich door centrale beslissingsmacht in EU-Brussel, beperkingen op nationale economische autonomie en gedelegeerde bevoegdheden in sociaaleconomische domeinen. Diezelfde periode betekent ook een vermindering van de macht van de werkende klasse. De EU stimuleerde marktliberalisering en concurrentie, wat resulteerde in hogere druk op lonen in exportgevoelige sectoren, privatisering van openbare diensten en harmonisatie van arbeidswetten naar EU-minimumstandaarden. Dit alles had een direct effect op wat de werkende klasse welvaart had gebracht na de Tweede Wereldoorlog: nationale overheden hadden minder ruimte om sociale vangnetten, minimumloonbeleid of collectieve onderhandelingen te beschermen tegen marktwerking. De dwang van strikte begrotingsdiscipline leidde tot een vermindering van investeren in werkgelegenheid of sociale programma’s tijdens recessies. Open grenzen voor kapitaal en arbeid (met name na 2004-uitbreiding) zorgden voor concurrentie op arbeidsmarkt: lagere loononderhandelingen voor de zwakste delen van de werkende klasse, uitholling van collectieve werkafspraken in diverse sectoren.

De Griekse crisis: illustratief voor de EU-tragedie en het falen van reformistisch “socialisme”
De Griekse crisis die uitbrak in 2009 en 2010 ontstond uit de combinatie van diverse zaken: langdurige structurele tekortkomingen in Griekse economie en staatsfinanciën in de voorgaande decennia, gebrekkige belastinginning en een grote informele economie, zware externe schokken zoals de wereldwijde kredietcrisis van 2008, toetreding tot de eurozone die Griekenland goedkope leningen verschafte maar tegelijk de mogelijkheid om via muntdevaluatie problemen te corrigeren uitsloot, enz… In 2009 leidde een plotselinge onthulling van de omvang van het begrotingstekort en de schuld (o.a. door vervalste cijfers van voorgaande burgerlijke regeringen), tot een snel verlies van vertrouwen van investeerders en hogere financieringskosten. De sociale onrust -met 32 algemene stakingen- had geleid tot de opkomst van de linkse hervormingsgezinde partij Syriza. De partij, die begin 2015 een klinkende verkiezingsoverwinning behaalde, werd geleid door naïeve “eurocommunisten” die geloofden dat ze Europa konden veranderen door een langzame mars door de instellingen. De voorzitter van de ECB, Mario Draghi, weigerde Griekenland krediet te verstrekken zonder een bezuinigingsprogramma. Syriza weigerde elke terugdraaiing van bezuinigingsmaatregelen en beloofde de financiële verplichtingen van Griekenland jegens al zijn crediteuren na te komen. Op 5 juli 2015 stemden Griekse werknemers tegen verdere bezuinigingsmaatregelen die door de Europese Unie werden geëist maar Syriza voerde ze toch door.
Van de 206,9 miljard euro van de zogenaamde “Griekse reddingsoperatie” werd bijna 30% gebruikt om Griekse banken te herkapitaliseren, terwijl bijna 50% naar de crediteuren van de Griekse staat ging. Griekse en Europese bankiers werden gered. De EU stuurde geen oproerpolitie naar Griekse straten, de nationale regering trad namens haar op. De werkgelegenheid in de publieke sector werd met 30% verlaagd. Griekenland verloor meer dan 25% van zijn totale bbp. De werkloosheid steeg met 16% en de jeugdwerkloosheid piekte op 56%. Syriza gaf de bankiers tussen 2016 en 2019 negen miljard euro uit de overschotten die ze uit de sociale zekerheidsbegroting hadden gehaald. Dit stond ver af van het radicale programma van Thessaloniki uit 2014, dat sociale transformatie beloofde. Het Griekse volk heeft tien jaar lang onder bezuinigingen geleden met drie reddingpakketten, waarvan het laatste door Syriza werd uitgevoerd. De links-reformistische regering stemde voor alle ‘memoranda’ van de trojka en voerde anti-arbeiderswetten in, waaronder beperkingen op het stakingsrecht. Syriza tekende voor tientallen jaren van bezuinigingen tot het jaar 2060! Ze hadden zoveel beloofd, maar aan het einde van hun ambtstermijn leefde 30% van de bevolking in armoede. De Griekse crisis illustreert als geen ander de zwakheid van socialistisch reformisme en het feit dat de werkende klasse beter geen vertrouwen stelt in het liberaal-“democratisch” politiek proces.
Brexit: een kapitalistische exit uit een kapitalistisch project.
Op 23 juni 2016 stemde Groot-Brittannië voor uittreding uit de EU. De stemming werd voorgesteld door Tory-leider David Cameron om de harde rechtervleugel in zijn partij te sussen. De jaren na de reddingsoperaties voor de banken hadden geleid tot een verdere uitholling van de schijndemocratie die we onder het kapitalisme hebben. De groei van de harde rechtervleugel betekende dat de Tories, als de traditionele partij van het Britse kapitalisme, braken met hun eigen klasse om hun politieke invloed te behouden en kiezers te winnen. De Europese Unie moet zoals eerder gesteld worden beschouwd als eenkapitalistische unie die de belangen van het Europese grootkapitaal dient, een imperialistisch blok. Brexit was in principe positief, mits het werd geleid door de werkende klasse, niet door rechts-populistische waterdragers van het kapitaal. De EU is een “gevangenis van volkeren”, ermee breken is noodzakelijk om nationale soevereiniteit te herwinnen en socialistische opbouw mogelijk te maken. Dat was uiteraard nooit de bedoeling van de Britse kapitalistische fractie die haar belangen beter verdedigd zag buiten de EU, gericht op handelsvoordelen uit de Commonwealth en/of sterkere banden met de USA. Op geen enkel moment was Brexit een uitdrukking van de wil van de Britse werkende klasse! Een kapitalistische exit uit een kapitalistische unie blijft kapitalistisch. De City of London wilde weliswaar in de EU blijven maar Brexit weerspiegelt de interne tegenstellingen van het westers imperialisme. Het was een strijd tussen diverse blokken (EU vs. VS vs. GB), en het verzwakte de Europese imperialistische eenheid, maar versterkt niet automatisch het socialisme of de soevereiniteit van volkeren. Exits uit de EU kunnen potentieel wel ruimte scheppen voor revolutionaire verandering, als we erin slagen die crisis ook te benutten.

Ook Brexit illustreerde het falen van reformistisch links dat zich bij het “Remain”-establishment had aangesloten. De exit-partij UKIP van de reactionaire populist Nigel Farage profiteerde van een gevoel van politieke vervreemding onder kiezers uit de arbeidersklasse. Uit alle peilingen bleek dat hoe armer de mensen waren, hoe groter de kans was dat ze voor een vertrek uit de EU zouden stemmen. De meeste vakbonden schaarden zich achter het EU-gezinde deel van het Britse kapitalisme en riepen op om voor blijven te stemmen, waardoor het veld vrij was voor de rechtse kritiek op de EU als enige kritiek die de mensen te horen kregen. Zelfs Jeremy Corbyn weigerde zich tegen de EU uit te spreken, ook al vermeed hij om samen met de Tories op het podium te staan. Het Remain-establishment probeerde het hele debat te voeren over racisme en niet over de verwoestende gevolgen die de bezuinigingen hadden gehad op het leven van de werkende klasse. Terwijl Londen voor Remain stemde, stemden alle andere regio’s en heel Wales voor Leave, vooral de regio’s en arbeidersgemeenschappen die door het thatcherisme waren aangevallen. Een studie uit 2017, gepubliceerd in het tijdschrift Economic Policy, toonde aan dat de Leave-stemmen groter waren in gebieden met de laagste inkomens en hoge werkloosheid, een sterke traditie van vroegere werkgelegenheid in de industrie en waar de bevolking minder gekwalificeerd was. Links slaagde er niet in om een duidelijk klassenverzet tegen de neoliberale EU te formuleren dat het verzet tegen de EU kon koppelen aan echte arbeiderswaarden. Zonder die stem werd het debat gedomineerd door twee vleugels van de Tory-partij, waardoor het debat binnen een kapitalistisch kader bleef. De sociale bewegingen van 2008 tot 2016 waren in handen van groepen als Syriza en mensen als Jeremy Corbyn. Hun reformistische politiek was niet in staat om het kapitalistische systeem aan te pakken en een door de werkende klasse breed gedragen afwijzing van de EU voorop te stellen. Hun capitulatie gaf het initiatief aan populistisch rechts, een golf die versnelde na de eerste verkiezing van Donald Trump in de VS. Groot-Brittannië verliet uiteindelijk de EU op 31 januari 2020, net voordat de pandemie toesloeg.
De Coronapandemie en de falende EU
De Europese Unie faalde op meerdere vlakken tijdens de Covid-19-pandemie. Uitgerekend gezondheidsbeleid is net als milieuregelgeving een kwestie die bij uitstek op Europese schaal geregeld zou moeten worden, zeker wanneer het om crisismanagement gaat. Voor de op privaat geldgewin gerichte neoliberale EU bleef dit grotendeels een nationale bevoegdheid, waardoor lidstaten eigen lockdowns, grenssluitingen en maatregelen invoerden. EU-instanties zoals de European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC) konden geen bindende maatregelen opleggen met een chaos in grensoverschrijdend verkeer als gevolg. Tekorten aan testkits, persoonlijke beschermingsmiddelen en medische uitrusting leidden ertoe dat lidstaten individueel voorraden probeerden te hamsteren ten koste van andere Europese staten. De Britse ex-lidstaat onder leiding van premier Boris Johnson heeft zelfs een optie overwogen om op militaire wijze naar vaccins te grijpen die in Nederland lagen opgeslagen. Er was geen centrale EU-executive die lockdowns, teststrategieën of ziekenhuiscapaciteit kon aansturen. Gebrekkige communicatie, trage goedkeuringen en productieproblemen in Europa veroorzaakten achterstanden in vaccinaties. De pandemie bleek een hoogtepunt in de reeds jaren aanhoudende malaise inzake Europese integratie in de EU. Finaal illustreert “Pfizergate” de nauwe banden tussen de EU-elite en het privaat kapitaal, de multinationals: EU-Commissievoorzitster Ursula von der Leyen kwam in opspraak rond haar rol bij de Europese COVID-19-vaccincontracten, vooral met betrekking tot contacten en transparantie met grote farmaceutische bedrijven zoals Pfizer, en de manier waarop onderhandelingen werden gevoerd en gedocumenteerd.
De EU vindt haar tweede adem: oorlogspolitiek!
De EU werkt in het belang van de grote – vaak monopolistische- kapitaalsgroepen die Europa domineren. Daarom werd de oostwaartse uitbreiding van de EU gecoördineerd met de uitbreiding van de NAVO. De uitbreiding naar het oosten werd aangestuurd door Washington: in alle gevallen werden de voormalige Sovjet-satellietstaten opgenomen in de NAVO, onder Amerikaans bevel, voordat ze tot de EU werden toegelaten. Polen, Hongarije en Tsjechië waren al in 1999, vijf jaar voor hun toetreding tot de Unie, lid geworden van de NAVO. Bulgarije en Roemenië in 2004, drie jaar voor hun toetreding en ook Slovakije, Slovenië en de Baltische staten, een maand voor hun toetreding (de planning voor de Baltische staten begon in 1998). De oostwaartse expansie richting Oekraïne, waarvan het westen (zowel Washington als EU-Brussel) zeer goed wist dat Rusland dit als een ernstige bedreiging voor haar veiligheid zou aanzien, zou de ultieme test worden. Na de uitgelokte militaire operatie van Rusland tegen het door het westen gesteunde neofascistische politieke regime in Kiev, wordt Europa massaal herbewapent en zakt de EU op de internationale Bühne door het ijs als een politiek zwakke, invloedarme club van lakeien die de Amerikaanse dominantie niet in vraag kan of wil stellen.

Begin 2021 ging het Europees Defensiefonds (EDF) van start. Het is een financieringsinstrument van de EU dat gericht is op het bevorderen van gezamenlijke defensie-innovatie en bewapeningssamenwerking tussen EU-lidstaten. Het EDF vult het in 2004 gestarte EDA (Europees Defensie Agentschap) aan dat mee de richting van wat er nodig geacht wordt op defensiegebied binnen Europa, en het EDF levert het geld om gezamenlijke projecten daadwerkelijk te financieren. Ze versterken elkaar dus, en beide bevestigen de trend dat het vastgelopen eenmakingsproces van de neoliberale EU zich voor een relance steeds meer (al geruime tijd voor de Russische militaire operatie tegen het Kiev-regime) focust op oorlogspolitiek en herbewapening. Het terugtrekken of verminderen van de Amerikaanse militaire steun door de Amerikaanse president Donald Trump was een excuus waar de EU op zat te wachten. Ursula Von Der Leyen lanceerde het EU-plan om “Europa te herbewapenen”, waarmee een bedrag van 800 miljard euro gemoeid is. De werkende klasse in heel Europa heeft te kampen met een crisis in de kosten van levensonderhoud maar begrotingsregels zouden worden verstrengd om de uitgaven voor sociale behoeften, zoals huisvesting, te beteugelen en versoepeld voor herbewapening van de lidstaten. Voor sociale politiek is er te weinig geld, voor de wensen van de defensie-industrie wordt hemel en aarde bewogen. De Europese eenmaking werd ooit uitgelegd als vredespolitiek (EGKS, om de staalproductie als ruggengraat van de wapenindustrie te onttrekken aan nationale controle), vandaag vindt ze haar tweede adem in het opdrijven van bewapening, anti-Russische agressie en regelrechte oorlogspolitiek. In deze oorlogspolitiek heeft de EU zich ondertussen stevig verankerd aan het lot van de corrupte Oekraïense staat die -volkomen foutief- voorgesteld wordt als een voorpost van “democratische liberale waarden”.
Euroclear: de ontmaskering van de EU
In december 2025 werd dit gezegend met een extra cadeau van 90 miljard euro door de Europese belastingbetalers in de vorm van een renteloze lening waarvan iedereen weet dat Oekraïne dit nooit kan of zal terugbetalen. Een cadeau dat er kwam als pasmunt voor het verzet van o.a. Belgisch premier De Wever tegen een door de EU gewenste diefstal van 200 miljard euro Russisch geld bij het bedrijf Euroclear. Lenin beschreef imperialisme als het stadium waarin financieel kapitaal en staatsmacht versmelten. De poging om het Russisch geld bij Euroclear – formeel “privaat” maar feitelijk ingebed in EU- en NAVO-macht – weg te halen, bewijst zijn gelijk. De EU heeft met haar wens bewezen dat eigendom geldt zolang het de belangen van het dominante blok en haar machtselite dient. Dat centrale-bankreserves en private financiële reserve “onaantastbaar” zijn is een liberale, burgerlijke juridische mythe, bedoeld om zwakkere staten te verleiden hun surplus veilig te parkeren in het imperialistisch centrum en controle te behouden over de financiële middelen van de werkende klasse. Recht, waaronder eigendomsrecht, is geen absolute categorie, maar afhankelijk van wie de macht heeft om het te beschermen. De Euroclear-kwestie heeft de verdienste dat de afwijzing van de EU, om niet te spreken van vijandigheid jegens haar instellingen en politici, bij een aanzienlijk deel van de bevolking terecht is toegenomen.
Besluit
Het ganse opbouwverhaal van de Europese Unie, van de EGKS tot nu, draagt in zich de redenen waarom Europese volkeren zonder politieke zelfstandigheid enerzijds en de werkende klasse in haar hedendaagse betekenis anderzijds, onmogelijk verwachtingen in de EU kunnen stellen voor een betere toekomst. De EU is geworteld in het Atlantisme en westers imperialisme, het staat ten dienste van een liberale handelseconomie, gericht op uitholling en vernietiging van politieke regulering waar dit niet het monopoliekapitaal dient. De EU staat ten dienste van het staatkundig status quo, tenzij het -buiten de EU-zone- de geopolitieke imperialistische belangen van de Europese machtselites voordelen biedt. Burgerlijke volksnationalisten noch reformistische socialisten kunnen het EU-project wijzigen of van koers veranderen, ze lopen de feiten al decennia achterna en zullen dat ook blijven doen. De werkende klasse in Europa betaalt het gelag.
Eindnoten:
(1) Naast het aanvaarden van de 15% heeft Von der Leyen beloofd dat de Europese Unie voor miljarden dollars aan militair materieel koopt in de VS, een precies bedrag is niet genoemd. De EU gaat ook voor 750 miljard dollar aan energie aankopen in de VS, gespreid over 3 jaar, en de EU gaat voor 600 miljard dollar investeren in de VS. Voor diverse belangrijke industrieën heerst onduidelijkheid en moet er verder worden onderhandeld. Voor auto’s geldt het basistarief van 15 procent, maar… de EU verlaagt dan weer haar invoertarief op Amerikaanse auto’s van 10 naar 2,5 procent. En dat op een moment dat de Europese auto-industrie met een toevloed aan betrekkelijk goedkope Chinese auto’s dreigt te worden geconfronteerd! Ondanks het feit dat de VS hiermee hun voeten vegen aan WTO-afspraken, aanvaardt de EU met op kop Von der Leyen en haar Europese Commissie dit alles om een betrekkelijke eenheid in de westers imperialistische kern te bewaren.
(2) We verwijzen naar de rechtszaak van transportbedrijf Van Gend en Loos waarbij de Nederlandse regering voor de rechter werd gedaagd wegens een tarievengeschil en waarbij in beroep bij het Europees Hof werd besloten dat de Gemeenschap een nieuwe rechtsorde vormde van internationaal recht, ten behoeve waarvan de staten hun soevereine rechten hebben beperkt.” Voortaan konden individuen of bedrijven hun eigen regering voor de rechter dagen wegens schending van het Europees recht.


































