Signature: BWBX3T26DOXAK4m8tL7T15Ombex4vhxUD7+Wl7BADtCS5R26/0r3w4huFU7LWMEsF6S6gb0ySNwStth6DrXNksN/phYHrU14icq3xpTp+Z9BTznWu0mUWmDcUDCmoPF+bbyLeQLlFKFi3ZHXvsVDg5ARUWUeFlQ6N4S0Xc7X2Jc=

Turkije: NAVO, imperialisme en klassenmacht

Op 7 en 8 juli vond in Ankara, de hoofdstad van Turkije, een NAVO-top plaats. De top ging gepaard met een ongeziene golf van repressie tegen plaatselijke anti-imperialistische activisten. Honderden werden gearresteerd, waarvan er velen tot op dit ogenblik nog steeds in de gevangenis zitten. De keuze voor Turkije als gastland was gezien de huidige imperialistische oorlogen in Palestina, Iran en Oekraïne allerminst toevallig. Sinds het begin van de Koude Oorlog vormt Turkije een belangrijke steunpilaar van het kapitalistische Westen in het Midden-Oosten en fungeert het als strategische dam tegen de Sovjet-Unie en later Rusland aan de zuidzijde van de Zwarte Zee. Ook vandaag bekleedt Turkije een sleutelpositie binnen het westerse geopolitieke krachtenveld: het vormt een belangrijke schakel tussen de VS en de EU enerzijds en het Midden-Oosten anderzijds, onderhoudt nauwe betrekkingen met de Golfstaten en beschikt door zijn geografische ligging over aanzienlijke mogelijkheden om invloed uit te oefenen op het strijdtoneel in Oekraïne. Tegelijk houdt het AKP-regime er in toenemende mate een eigen agenda op na in de regionale politiek in het Midden-Oosten. Dit is echter niet, zoals het door sommigen wel eens wordt gevierd, een teken van toenemende “multipolariteit” en “civilisationele onafhankelijkheid”, maar een subimperialistische oscillatie van het Turkse fascistische comprador-regime, dat onder de AKP over een iets grotere autonomie en onderhandelingsmarge beschikt nu de westerse imperialistische kern in een diepe interne crisis verkeert en een zekere fase van contractie ondergaat volgend op een fase van imperiale overbelasting en aantal belangrijke economische en politieke crisissen en militaire tegenslagen. Niets van dit alles is evenwel in het belang van de volkeren van Anatolië, noch de werkende klasse ter plaatse.

Turkije en de NAVO

 De buitenlandse politiek van Turkije wordt anno 2026 gekenmerkt door twee duidelijke vectoren. Enerzijds is het land sinds 1952 een loyaal lid van de NAVO, en sloot zijn beleid lange tijd nauw aan bij westerse strategische belangen. Tijdens de Koude Oorlog fungeerde Turkije als de zuidoostelijke flank van het Atlantisch bondgenootschap – een positie van reëel gewicht. Het stelde een omvangrijk landleger ter beschikking dat in geval van conflict tegen de Sovjet-Unie kon worden ingezet. Daarnaast huisvestte het strategische NAVO-luchtmachtbasissen en Amerikaanse kernwapens, die na de Cubacrisis stilzwijgend werden verwijderd als onderdeel van een akkoord tussen Nikita Chroesjtsjov en de Verenigde Staten. Door zijn geografische ligging droeg Turkije bij aan het afremmen van Sovjetinvloed richting het Midden-Oosten, terwijl het tegelijk fungeerde als platform voor inlichtingeninfrastructuur gericht op de Sovjet-Unie. Die rol speelt het land nog tot op de dag van vandaag. Het is het op één na grootste leger van de NAVO (met ongeveer 450 000 manschappen) en de Turkse NAVO-basissen (zoals die van Incirlik) blijven fungeren als logistieke springplank voor de Amerikanen naar het Midden-Oosten tijdens de oorlogen in Afghanistan en Irak.

Daarnaast houdt het land er in toenemende ook een eigen regionale agenda op na. Dit ligt in lijn met de ambities van de AKP waarbij Turkije, naast haar rol als scharnierpunt voor het Westers imperialisme in het Midden-Oosten, ook een meer autonome rol is gaan spelen, hoewel deze rol finaal in lijn met de Westerse belangen blijft liggen, of er toch minstens niet mee interfereert. De AKP(Adalet ve Kalkınma Partisi) van Recep Tayyip Erdoğan, die sinds 2002 in Turkije aan de macht is, is een autoritaire, sterk conservatieve en nationalistische partij die pleit voor een stevige centrale staat en een toenemende invloed van religie in het openbare leven, wat op zijn minst een herkalibratie is van de seculiere tradities die de kemalistische staat kenmerken sinds de jaren 20. In de buitenlandse politiek wil zij Turkije opnieuw op de kaart zetten als een sterke regionale speler en de vroegere invloedssfeer van het Ottomaanse rijk gedeeltelijk herstellen. De aanpak is overgegaan van soft power naar hard power vanaf de Arabische Lente (2011), en nog scherper geworden vanaf 2016 (het jaar van de mislukte militaire coup en grote onrust in het Koerdische achterland, o.a. rond de stad Cizre). Turkije probeert sinds het begin van de 21ste eeuw actief macht uit te oefenen in de Balkan, Syrië, Irak, Libië en de Kaukasus. Ging het hierbij in het begin nog vooral om economische investeringen en culturele invloed via media en religieuze netwerken, dan is de Turkse inmenging in de loop van het voorbije decennium zich ook meer op militair vlak gaan manifesteren.

Oorlog in Syrië en de Koerdische kwestie

In 2011, bij het uitbreken van de Arabische lente, keerde Turkije zich tegen de Ba’ath-regering in Syrië, steunde het de oppositie en liet het strijders en materieel over haar grondgebied passeren teneinde Assad te verzwakken. Vanaf 2016 versterkte de Koerdische YPG echter haar positie in het noorden van Syrië. De YPG (Yekîneyên Parastina Gel – Volksbeschemingseenheden) was gelieerd aan de PKK in Turkije, hetgeen door het Turkse regime als een grote bedreiging werd aanzien. Dit viel samen met grote onrust in Turks-Koerdistan in datzelfde jaar. Het vredesproces met de PKK (Çözüm Süreci), dat was opgestart in 2012, was spaak gelopen en een aantal steden in Zuidoost-Turkije kwamen hierdoor opnieuw aan de frontlijn te liggen. Vooral in Cizre, dat werd ingesloten door Turkse troepen, werden de vijandelijkheden bijzonder intens en een groot deel van de stad werd met de grond gelijkgemaakt. Honderden, zo niet duizenden inwoners kwamen hierbij om het leven.

Het grote Koerdische autonome gebied dat was ontstaan in Noord-Syrië (Rojava) en dat ideologisch net als de PKK teruggreep naar het zgn. “apoïsme” van Abdullah Öcalan (een anarchistisch subsidiariteitsmodel gebaseerd op de ideeën van Murray Bookchin), vormde in combinatie met de hernieuwde vijandelijkheden met de PKK dus een uitgesproken bedreiging voor de Turkse staat. Als reactie hierop werden verschillende militaire operaties gelanceerd. Operatie Eufraat Schild (2016-2017) diende niet alleen om Islamitische Staat terug te dringen, maar moest ook de Koerdische invloed in het grensgebied rond de steden Afrin en Manbij reduceren. Tijdens de daaropvolgende Operatie Olijftak (2018) werd Afrin veroverd op de YPG en de Koerdische invloed naar het gebied ten oosten van de Eufraat teruggedrongen. In de daaropvolgende jaren voerde Turkije nog verschillende militaire operaties uit met de hulp van het zgn. Syrische Nationale Leger (SNA), opgebouwd uit restanten van het Vrije Syrische Leger (FSA) en een aantal aan Turkije loyale rebellengroepen. Met de Hay’at Tahrir al-Sham (HTS), waaruit de huidige regering van Syrië is voortgekomen, onderhield Turkije ambigue relaties, maar ondanks de fricties waren ook duidelijke momenten van samenwerking. En toen Al-Jolani eind 2024 na de inname van Aleppo aan zijn mars op Damascus begon, werd de HTS daarin gesteund door eenheden van de SNA.

Regionale rivaliteit met Iran

Iran had in die tijd heel andere belangen in Syrië. Het land steunde vanaf 2013 actief de Ba’ath-regering van Assad. Elite-eenheden van de Iraanse Revolutionaire Garde waren aanwezig op Syrisch grondgebied om Islamitische Staat en andere rebellengroepen te bestrijden, met op het hoogtepunt tot duizenden Iraanse troepen. Vermaard was onder meer de al-Quds-brigade onder commando van generaal Qasem Soleimani. Miljarden werden door Iran geïnvesteerd in economische projecten en infrastructuur. In ruil hiervoor gebruikte Iran het land als doorvoerroute naar Libanon ter bevoorrading van de Hezbollah en als springplank om militaire druk uit te oefenen op Israël (de “As van het Verzet”). Soleimani organiseerde tevens sjiitische milities, waaronder de Fatemiyoun-divisie, die bestond uit duizenden strijders uit landen als Irak, Afghanistan en Libanon. Daarenboven regelden de Iraniërs in 2015 de steun van Moskou voor de regering van Assad, die tijdens de daaropvolgende jaren cruciaal zou blijken voor haar overleving. Soleimani reisde hiervoor persoonlijk naar Moskou. Turkije en Iran hadden dus tegengestelde belangen in Syrië en waren er elk op uit om er hun regionale invloed te vergroten. De belangen van Iran stonden hierbij echter diametraal tegenover die van de Verenigde Staten en Israël, terwijl die van Turkije hooguit in een complexe spanningsboog met laatstgenoemden stonden.

De Amerikanen verleenden tactische steun aan de Koerdische YPG, die later op vraag van de VS werden herdoopt tot Syrian Democratic Forces of SDF. Deze naamsverandering kwam er grotendeels om het imago van de Rojava-strijders voor het westerse publiek beter te profileren en zich tevens te distantiëren van de Koerdische nationale bevrijdingsstrijd van de PKK, die in de jaren 80 nog marxistisch-leninistische wortels had en indirecte steun genoot van de Sovjet-Unie. Hoewel het Rojava-project ver van haar oorspronkelijke marxistische basis was beland, met name vanwege het ideologische zwalpen van Öcalan na zijn gevangenneming in 1999, is ook het “democratisch confederalisme” van de Koerden politiek nooit door de VS gesteund of erkend. Wel gebruikten zijn de YPG/SDF als proxies tegen IS en Assad (temeer daar de VS zelf geen grondtroepen wou inzetten), en natuurlijk als bewakingseenheden voor de talloze oliebronnen die in Noordoost-Syrië aanwezig zijn. Hoewel de Amerikaanse steun aan de Koerden een doorn in het oog van Turkije was, is het nooit tot een conflict gekomen omdat de VS er altijd voor hebben gehoed om het autonomiestreven van de Koerden daadwerkelijk te steunen.

Turkije in de oorlog van de VS en Israël tegen Iran

Nu de Verenigde Staten en Israël openlijk oorlog voeren met Iran, houdt Turkije zich op de achtergrond en probeert het een eerder neutrale positie te handhaven. Ook hier speelt de Koerdische kwestie een rol: het plan van de Amerikanen om Koerdische milities in te zetten teneinde Iran te destabiliseren, wordt net als destijds in Syrië door de Turken als een mogelijk existentiële bedreiging gezien. Een balkanisering van Iran zou potentieel het autonomiestreven van de Koerden in Turkije opnieuw wakker maken, net nu de PKK de wapens heeft neergelegd en de Rojava-enclave door de nieuwe Syrische regering onder militaire druk van de HTS in de nieuwe Syrische eenheidsstaat en het Syrische leger is geïntegreerd. Daarbij is het met name de Koerdische PJAK-militie, die ideologisch verwant is aan de PKK en de YPG, die Ankara grote zorgen baart. Maar Turkije is dus lid van de NAVO, en bovendien is de relatie van Turkije met Israël allesbehalve eenduidig. Hoewel de Palestijnse zaak brede steun geniet onder de Turkse bevolking over alle politieke grenzen heen, en Erdoğan vaak grossiert in pro-Palestijnse retoriek, onderhoudt Turkije niettemin nog altijd handelscontacten met Israël en blijft het land olie uit het bevriende Azerbeidzjan naar het zionistische regime in Tel Aviv verschepen – alle formele verklaringen om dit niet meer te doen ten spijt.

In augustus 2026 sloot Turkije ook een nieuw militair bondgenootschap met Pakistan en Saudi-Arabië, het zogenaamde verdrag van Mekka. Hierbij beloofden de drie belangrijkste en machtigste soennitische moslimstaten in het Midden-Oosten elkaar wederzijdse bijstand in het geval van een aanval. Deze bepaling is vergelijkbaar met artikel 5 van de NAVO, maar staat hier dus los van aangezien enkel Turkije deel uitmaakt van het Atlantisch bondgenootschap. Het doel van deze alliantie lijkt te zoeken tegen de achtergrond van de oorlog tegen Palestina en Iran, die gevoerd wordt door Amerika en Israël, maar ook in de gedeeltelijke imperiale aftocht van de Verenigde Staten op wereldvlak, waarbij de oude neokoloniale vazalstaten en comprador regimes in toenemende mate gedwongen worden om hun eigen boontjes te doppen, omdat het klassieke model van “global governance” althans tijdelijk is vervangen door nationalistische uitspattingen en brutale buitenlandse interventies als gevolg van de interne crisis van het Amerikaanse systeem. Ook hier komt een geopolitieke spreidstand tot uiting. Moreel zijn de islamitische staten gedwongen om partij te kiezen tegen Israël in de oorlog in Gaza, maar inzake Iran ligt de situatie natuurlijk anders.  De rivaliteit van Saudi-Arabië en Iran is overigens, nog veel meer dan in het geval van Turkije, van historische aard en is sinds de islamitische revolutie van 1979 in Iran eigenlijk een constante. In juli liet Saudi-Arabië zich dan ook actief in de Amerikaans-Iraanse oorlog meesleuren door het uitvoeren van luchtaanvallen op pro-Iraanse milities in Irak.

Hoewel deze nieuwe alliantie door voorstanders van “multipolariteit” soms wordt gevierd als een positionering van de “soennitische islam” als autonome geopolitieke en civilisationele speler, ligt de werkelijkheid aanzienlijk complexer. Veeleer gaat het om een voortzetting van bestaande belangen in nieuwe vormen, aangepast aan de veranderde geopolitieke context. Hierbij moet overigens worden opgemerkt dat alle drie de landen gekenmerkt zijn door een langdurige historische traditie van pro-Westerse politiek. Ook Pakistan heeft een sterke historische traditie van pro-Westerse politiek. Een belangrijke cesuur werd hierbij gevormd door het beleid van Imran Khan, die premier van Pakistan was van 2018 tot 2022. Zijn regering werd gekenmerkt door felle anti-Westerse retoriek, waarbij hij vooral conservatief-islamitische en nationalistische retoriek hanteerde tegenover de Westerse imperialistische politiek en culturele invloeden. Maar ondanks alle retorische kritiek op de Westerse buitenlandse politiek en het IMF deed hij zeer weinig om hier verandering in te brengen. In 2019 ontving het land nog een lenig van 6,5 miljard dollar van het IMF, een van de grootste financiële leningen die Pakistan ooit heeft ontvangen. In 2022 werd Khan overigens afgezet, en sindsdien voert het land weer een stabiele pro-Westerse koers onder Shehbaz Sharif en Asim Munir. Des te belangrijk is het feit dat Pakistan een historische vijandschap heeft met India, waar het hindoenationalistische regime net nu in toenemende mate toenadering zoekt tot China en Rusland (na een dieptepunt in de Chinees-Indische relaties tijdens een gewapend grensconflict in 2020).

Het Turkse militair-industrieel complex

Een andere, zeer belangrijke speler in al deze ontwikkelingen is het Turkse militaire-industriële complex, dat de voorbije decennia sterk aan omvang en belang heeft gewonnen. De afgelopen twintig jaar is het uitgegroeid tot een van de belangrijkste strategische en economische pijlers van Turkije, en inmiddels speelt het een cruciale rol op het wereldtoneel. Waar Turkije vroeger in belangrijke mate afhankelijk was van buitenlandse wapenimport, is het nu zelf een globale speler in defensietechnologie geworden.

Het Turkse militair-industriële complex wordt gevormd door een uitgebreid netwerk van staatsinstellingen, defensiebedrijven, onderzoeksinstellingen en duizenden toeleveranciers. Centraal staat de Turkse defensie-industrie, gecoördineerd door het Presidency of Defence Industries (SSB), met bedrijven als ASELSAN, TUSAŞ, Baykar, Roketsan, MKE, STM, HAVELSAN, BMC, Otokar en FNSS. Samen produceren zij onder meer drones, gevechtsvliegtuigen, helikopters, tanks, pantservoertuigen, raketten, luchtverdedigingssystemen, radars, elektronische oorlogssystemen en oorlogsschepen. De centrale instelling is het Presidency of Defence Industries (SSB), het Turkse staatsorgaan dat defensieprojecten coördineert en grote programma’s financiert en aanstuurt. Daarnaast is er de Turkish Armed Forces Foundation (TSKGV), een staatsstichting die belangrijke defensiebedrijven controleert of grote aandelenbelangen bezit. Daardoor heeft de Turkse staat veel directere invloed op de industrie dan bijvoorbeeld bij een volledig privaat industrieel model. De omvang is inmiddels enorm: volgens de Turkse SSB waren er in 2002 slechts 56 defensiebedrijven en 62 projecten. Tegenwoordig gaat het om meer dan 1.400 projecten en duizenden bedrijven. Vijf Turkse ondernemingen stonden in 2026 in de Defense News Top 100: ASELSAN, TUSAŞ, ARCA Savunma, Roketsan en MKE. Hun gezamenlijke defensie-omzet bedroeg volgens de gepubliceerde cijfers ongeveer $14,9 miljard in 2025.

Vooral de Bayraktar-drones zijn internationaal bekend geworden, maar de ontwikkeling gaat veel verder: Turkije bouwt inmiddels eigen raketten, fregatten, pantservoertuigen en het KAAN-gevechtsvliegtuig. Tegelijk probeert het land ook de achterliggende technologieën, zoals motoren, sensoren, software en elektronische systemen, steeds meer zelf te produceren. De defensie-industrie is daardoor uitgegroeid tot een belangrijk onderdeel van de Turkse economie en van de strategie om militair en technologisch zelfstandiger te worden.

De sector heeft bovendien een sterke exportfunctie. Turkse wapensystemen worden inmiddels geleverd aan landen in onder meer Europa, Azië, Afrika en het Midden-Oosten. Hierdoor is de defensie-industrie niet alleen economisch belangrijk, maar ook een instrument van de Turkse buitenlandse politiek: wapenleveringen creëren langdurige militaire en economische relaties. Volledige technologische onafhankelijkheid is echter nog niet bereikt. Vooral bij geavanceerde straalmotoren, bepaalde halfgeleiders, materialen en enkele hoogwaardige componenten blijft Turkije afhankelijk van buitenlandse technologie. Desondanks is het Turkse militair-industriële complex in ongeveer twee decennia uitgegroeid van een grotendeels importafhankelijke sector tot een van de belangrijkste en snelst groeiende defensie-industrieën buiten de traditionele westerse grootmachten.

Neoliberalisme en toenemende economische afhankelijkheid

In sterk contrast met de politieke ambities van de Turkse burgerlijke en conservatieve elites en de uitbreiding van het militair-industrieel complex, staat de toenemende afhankelijkheid van het land van de IMF en de steeds sterkere verwevenheid van de Turkse economie met globale toeleveringsketens sinds het begin van deze eeuw. Op het vlak van voedselvoorziening zou het land eigenlijk helemaal zelfvoorzienend kunnen zijn. In de jaren 1980 en 1990 werd Turkije door de FAO nog expliciet beschouwd als een van de weinige landen in de regio die in grote mate zelfvoorzienend was voor voedsel. Rond 2000 was het beeld reeds anders. Turkije produceerde bijvoorbeeld ongeveer 30,8 miljoen ton granen, maar importeerde tegelijkertijd ruim 2 miljoen ton.

Voor veel basisproducten is het land niettemin nog steeds zelfvoorzienend. Volgens de meest recente cijfers van het Turkse statistiekbureau TÜİK over het landbouwjaar 2024–2025 bedroeg de totale zelfvoorzieningsgraad voor granen 91,1%, terwijl die voor tarwe 104,3% lag. Turkije produceert daarmee in een gemiddeld jaar in principe voldoende tarwe voor de binnenlandse behoefte. Voor durumtarwe is de zelfvoorzieningsgraad zelfs 202%. Ook de groentesector is sterk zelfvoorzienend, met een totale zelfvoorzieningsgraad van 108,8%; voor tomaten bedroeg die bijvoorbeeld 112,3%. Vooral bij fruit beschikt Turkije over aanzienlijke overschotten en is het land een belangrijke exportproducent. Voor sommige producten zijn die overschotten zeer groot: zo bedroeg de zelfvoorzieningsgraad voor abrikozen maar liefst bijna 595%.

Voor veevoer, oliehoudende gewassen, maïs en gerst is het beeld echter heel anders. Vooral voor soja is een enorme afhankelijkheid van buitenlandse import, een gewas dat overigens pas vanaf de jaren 90 in beeld kwam. Waar Turkije begin jaren 80 nog volledig kon instaan voor zijn eigen maïsproductie, was dit eind jaren 90 al gezakt naar 70% en moest 950 000 ton maïs geïmporteerd worden. De uitbouw van een pluimveesector op industriële schaal zorgde voor een grote behoefte aan soja, die tegenwoordig op grote schaal uit de VS, Oekraïne en Brazilië worden geïmporteerd. Een economische crisis aan het eind van de jaren 90 zorgde ervoor dat er in de landbouw zware hervormingen werden afgedwongen door het IMF en de Wereldbank. Landbouwkredieten, staatsboerderijen en staatsaankopen van landbouwproducten werden afgebouwd, steunprijzen werden beperkt en “meer marktwerking” werd imperatief.

De neoliberale IMF-hervormingen in 2000-2201 troffen overigens niet alleen de Turkse landbouw maar kaderden in een reeks van uitgebreide hervormingen die de ganse Turkse economie aan een regime van austerity legden. Staatsbanken en -bedrijven werden geprivatiseerd. De banken Ziraat Bankası en Halkbank moesten een vijfde van hun personeel ontslaan en tientallen filialen verdwenen. Energie en telecommunicatiesectoren werden eveneens geliberaliseerd. Toen de AKP in 2002 aan de macht kwam heeft zij dan ook een enorme privatiseringsgolf doorgevoerd. Staatsbedrijven zoals Türk Telekom, TÜPRAŞ, PETKİM, TEKEL-gerelateerde activa, elektriciteitsbedrijven en havens werden geheel of gedeeltelijk geprivatiseerd.

Hoewel de politieke controle over de economie na de mislukte militaire couppoging van 15 juli 2016 verder is toegenomen, combineert het AKP-regime een conservatief-islamitische en nationalistische ideologie met neoliberale economische beleidsmaatregelen en een sterk staatsinterventionisme in strategische sectoren. Vooral de ontwikkeling van een nationaal militair-industrieel complex vormt daarbij een belangrijk instrument van economische ontwikkeling, strategische autonomie en geopolitieke machtsprojectie. Dit model kan worden gekarakteriseerd als een vorm van autoritair neoliberalisme, waarin marktgerichte economische verhoudingen samengaan met een sterke en interventionistische staat. Tegelijkertijd heeft dit beleid bijgedragen aan de versterking van een met de staat verbonden nationale bourgeoisie en specifieke kapitaalgroepen, onder meer via overheidsaanbestedingen, staatssteun en patronage. De arbeidersklasse en de volkeren van Anatolië zien zich daarentegen geconfronteerd met toenemende repressie tegen alle bewegingen die zich inzetten voor de arbeidersstrijd, anti-imperialisme, antimilitarisme, de Koerdische kwestie en andere nationale of religieuze minderheden. Dit alles wordt in stand gehouden met de scherpe anti-terrorismewetten die gehanteerd worden om de autoritaire staatsstructuur bijeen te houden.