De Grote Staking 1960-1961, een inspiratie?

rencontre et mariage avec des femmes malgaches Aanleiding en feiten

Zestig jaar geleden vond de zogenaamde Grote Staking plaats. Eind 1960 zet de Eenheidswet van de rooms-blauwe regering o.l.v. Gaston Eyskens kwaad bloed bij de werkende klasse. Aanleiding voor de Eenheidswet was de economische crisis van 1958-1959 in combinatie met de verouderde Waalse zware industrie die na W.O.2 al snel weer produceerde maar weinig was vernieuwd. De rechtse regering werd onder druk gezet door het industriële kapitaal, toen verenigd in het Verbond van Belgische Nijverheid. Zowel de openbare diensten als de privésector pikte de plannen die vooral gebaseerd waren op liberale besparingen niet. Hoewel de grootste vakbond, het ACV, niet deelnam aan de stakingen, leggen uiteindelijk naar schatting 1 miljoen mensen het werk neer. De voorgestelde besparingsmaatregelen werden sterk gecontesteerd door de socialistische vakbonden. Het protest leidde onrechtstreeks tot het ontslag van de regering Eyskens, maar legde ook belangrijke verschillen tussen Vlaanderen en Wallonië bloot, het werd duidelijk dat de Belgische staatsconstructie in haar unitaire vorm naar een politieke impasse zou leiden. De Eenheidswet vormde slechts de vonk die tot een brand zou leiden. De Grote Staking kwam er niet alleen omdat de regering een directe aanval op de levensstandaard nastreefde. Het ging om veel meer, de staking is na een paar dagen al, uitgegroeid tot een bewuste actie tegen het toenmalig kapitalistisch regime.

Op 20 december 1960 begon de Grote Staking tegen de regeringsvoorstellen, op die dag besproken in het parlement. In de weken die volgden, vonden zowat dagelijks massaprotesten plaats met in totaal ongeveer 300 betogingen. De eenheidswet had besparingen tot doel in onderwijs, pensioenen, werkloosheidsuitkeringen,… terwijl ook de belastingen werden verhoogd. Vijf weken lang daverde België op zijn grondvesten. Openbare instellingen waren gedurende weken verlamd, uit stakingspiketten ontstonden op sommige plaatsen spontaan comités die delen van het sociaal leven begonnen te regelen. Het protest was ook separatistisch getint, maar dan wel aan Waalse zijde. Sommige Waalse burgemeesters kozen resoluut de kant van de stakers en weigerden nog langer richtlijnen van de hogere overheid op te volgen. De Vlaamse Beweging was op dat moment grotendeels politiek onmondig. Vooral als gevolg van de collaboratie en de repressiegevolgen enerzijds en haar kleinburgerlijk conservatief karakter anderzijds, vond de Vlaamse beweging geen aansluiting bij het zware sociale protest.

De rechtse regering schakelde de kerk (kardinaal Van Roey) in om de stakers en de protesten te criminaliseren. Er werd ook effectief overgegaan tot veralgemeend gebruik van geweld door de ordediensten. Rijkswachtkorpsen werden gemobiliseerd en uitgebreid, duizenden militairen werden ingezet om industrie, communicatiediensten en strategische punten te bewaken. Vooral in de Waalse industriegebieden heerste een prérevolutionair klimaat met gebieden die door barricades geïsoleerd werden. De stakingsbeweging werd alsmaar grimmiger: rellen, sabotagedaden en regelrechte gevechten met de ordediensten. Op 6 januari 1961 vielen in Luik twee doden en tientallen gewonden – een flink aantal door kogelwonden- na urenlange straatgevechten. Onder andere het treinstation Luik-Guillemins raakte in de rellen zwaar beschadigd. Een belangrijk deel van het stakersfront verzette zich tegen het terug opstarten van de economie, tegen een militaire omkadering van de algemene productievoorwaarden. Het station in kwestie werd op dat moment beschermd door het leger. Finaal volgden er een tweeduizendtal arrestaties, zowat duizend stakers werden veroordeeld tot strenge straffen.



Nāḩiyat ash Shināfīyah Renardisme en de Soreliaanse staking

In de Luikse industriegebieden ontpopte socialistisch vakbondsleider André Renard zich tot voortrekker van het protest. Zijn syndicalisme kadert hij in een pleidooi voor federalisme uit vrees dat Vlaanderen door de economische ontwikkelingen uiteindelijk de Belgische koers zou gaan bepalen. “Het federalisme is noodzakelijk om de structuurhervormingen van de staat door te voeren.” Binnen de Waalse vleugel van socialistische vakbond (FGTB) lag dat federalisme moeilijk en de interne tegenstellingen zouden leiden tot het opstappen van Renard uit de FGTB, en de oprichting van zijn Mouvement Populaire Wallon (MPW). Het feit dat de staking ongelijk werd opgevolgd in Vlaanderen en Wallonië maakte duidelijk dat een verschillende economische toestand en problematiek ook een verschillende aanpak vergde door oppositiekrachten. Pogingen, uitgaande van Renard en zijn aanhangers, om de industrialisatie van Vlaanderen te boycotten, behoren zeker niet tot de grote bladzijden van de Waalse Beweging. Afkeer van en voor Vlamingen was ook nooit ver weg. In 1955 liet Renard zich nog ontvallen: “Pas une patte de flamand ne se posera sur la place Saint-Lambert”. Van noodzakelijke solidariteit met de Vlaamse werkende klasse ten aanzien van het Belgisch establishment en haar on-staat kon het renardisme niet verdacht worden.

“Sorélienne, la grève de l’hiver dernier le fut en tant que volonté d’organiser la société sur le plan même de production.” (André Renard, 1961)

Volgens Renard was deze Grote Staking duidelijk een bevestiging van de theorie van revolutionair syndicalist Georges Sorel. De stakingsacties gaven de arbeidersbeweging een nieuwe revolutionaire impuls en de revolutionaire praktijk van syndicalisten en anarchisten werd gelegitimeerd tegen de hervormingsgezinde en parlementaire weg van de socialisten in. De Grote Staking gaf vanuit een uiterst voluntaristisch en een soms anti-materialistisch socialisme blijk van de energie en de spontaneïteit van de massa, van een intens momentum. Via het geweld dat de werkende klasse tijdens de algemene staking manifesteerde, kon zij volledig tot ontplooiing komen en zich zuiveren van de door bureaucratie aangetaste vakbondsleiding.

De socialistische leiders uit Vlaanderen werden door een aanzienlijk deel van de stakers en door de renardisten als behorend tot de profiterende bourgeoisie aanzien, die nog enkel oog had voor de materiële luxe die de Golden Fifties hadden geschonken. De protesten en stakingen van 1960-‘61 werden trouwens voorafgegaan door de afbouw van een groot deel van de belangrijkste traditionele economische sectoren. In het begin van 1959, aan het einde van een recessie die ruim een jaar had geduurd, vloeide een opstandige stakingsbeweging van mijnwerkers in Henegouwen over in een algemene staking in de mijnsector. Het blad ‘La Gauche’ riep op tot een algemene werkstaking, tot een uitbreiding van de mijnstaking tot de rendabele economische sectoren, om zo de strijd voor een nationalisering van de energiesector een grotere slagkracht te geven. Dat leidde tot een ernstig conflict tussen de ploeg van ‘La Gauche’ en de groep van syndicale leiders rond André Renard die op dat moment zelf nog deel uitmaakte van de vakbondsnomenclatura die een deel van de syndicale bureaucratie vertegenwoordigde. De dominante positie van de Luikse metaalindustrie mocht niet aangetast worden…

In 1962 overleed André Renard. Als bewonderaar van Lenin, bespeelde hij de politiek met lef en spotte met het streven naar consensus. Zijn radicalisme verklaarde ongetwijfeld zijn charisma en kracht. Het renardisme moet aanzien worden als een model van actie, als een poging om de werkende klasse en populistische actie te integreren. Het was de uitdrukking van een regionalistisch streven (gericht op de invoering van federalisme in de toen nog unitaire Belgische staat) en terzelfdertijd een uitdrukking van een revolutionaire arbeidersklasse, van een volksopstand tegen sociaaleconomische onzekerheid, economische crisis en regionale overheersing. Renard pleitte voor zowel directe actie als overleg. Zijn eis tot antikapitalistische structurele hervormingen verklaarde hij als “een wig die in de muur van het kapitalisme wordt gedreven”. Het renardisme was vooral een manier om het syndicalisme in de globale samenleving te positioneren, zonder het te herleiden tot de loutere functie van het verdedigen van sociale voordelen.

milly-la-forêt rencontre entre celibataire Het belang van de Grote Staking

Hard politiek protest lijkt in ons land dood te zijn. Idealisme is vervaagd, pragmatisme heeft gewonnen. Er wordt geaarzeld om het systeem zelf in twijfel te trekken, “het beste is nu om het aan te passen, om het te hervormen” zo klinkt het. Stakingsbewegingen doorlopen doorgaans een vast patroon. Van zodra de stakingen binnen bepaalde grenzen in omvang voldoende zijn gegroeid zonder dat het volledig strijdpotentieel zich reeds heeft kunnen ontplooien, kunnen ze op bureaucratische wijze gecontroleerd worden. Ze vervallen dan in een structuur van gehoorzaamheid die grenzen stelt waarmee harde confrontaties kunnen begrensd worden. De Grote Staking van ’60-’61 bewees dat een stakingsactie steeds de mogelijkheid in zich kan dragen om uit dat patroon te ontsnappen. Ongedisciplineerd gedrag en chaos maken daar –helaas- onvermijdelijk deel van uit. Wat eind 1960 echter startte uit een staking van gemeentepersoneel op initiatief van het ACOD, groeide uit tot een prérevolutionaire toestand.

Vandaag zit het militante syndicalisme in de hoek waar de klappen vallen. Decennia neoliberaal beleid heeft ook in de vorming van de publieke opinie haar sporen nagelaten waarbij harde syndicale actie steeds vaker door de regimemedia in een negatief daglicht wordt gesteld. Ook het klassieke (extreem-)rechtse antivakbondsdeuntje duikt met de regelmaat van de klok terug op. Niettemin blijft de syndicalisatiegraad in ons land terecht hoog. De werkende klasse kan enkel maar aangeraden worden vakbondslidmaatschap aan te nemen of te behouden, zonder evenwel hier de grootste verwachtingen in te stellen. Het belang dat wij als Zannekinbond erin stellen, is de mogelijkheid dat het hierboven geschetste patroon net zoals in 1960-1961 doorbroken wordt: elke syndicale actie draagt in zich het potentieel uit te groeien tot een brede protestbeweging buiten de grenzen van de controleerbaarheid door het regime met inbegrip van de vakbondsbureaucratie. Elke uitslaande brand heeft een kleine vonk nodig om te starten. Uiteraard zijn syndicale acties niet de enige mogelijkheid, zoals de Gele Hesjesbeweging bij de Franse zuiderburen bewees. Spontane kleinschalige protesten rond symbolische dossiers bezitten in toenemende mate ook over dit potentieel. De geest van rebellie kan zich onttrekken aan bestaande structuren, ook al kunnen die laatsten soms nuttig zijn om de aanleiding te verschaffen.

Gele Hesjes, hetzelfde potentieel tot volksopstand als een algemene staking?

En er is meer. Het renardisme demonstreerde de noodzaak om het syndicalisme of de sociaal-economische strijd in het algemeen binnen België te combineren met eisen tot staatkundige verandering. Door Renard en zijn aanhangers werd destijds federalisme geëist. Zonder iets te ontkennen van de vakbondsactie die een andere logica volgt, leidt het Waalse FGTB tot op de dag van vandaag zeer dikwijls een sociale strijd die de Waalse regionale strijd integreert. Dit soms ten koste van de eigen agenda die de Franstalige Gemeenschap erop nahoudt. De FGTB heeft –de ene vleugel of regio al meer dan de andere- vaak de neiging om de geest van het renardisme te bestendigen. Vandaag moet wat Zannekinbond betreft onafhankelijkheid van Vlaanderen en Wallonië via de eis tot het beëindigen van het Belgisch koninkrijk alsook de uittrede uit de EU, deel uitmaken van elk grootschalig sociaaleconomisch conflict dat het bedrijfs- of sectorieel niveau overstijgt. Renard maakte destijds de fout die ook in de hedendaagse door rechts gedomineerde Vlaamse Beweging kan vastgesteld worden: men viseert de andere gemeenschap (Walen of Vlamingen) in plaats van de Belgische staat, haar monarchie en de dominante kapitaalsgroepen die deze staatsconstructie in stand (willen) houden, te viseren.

De Grote Staking maakte duidelijk dat Vlaanderen en Wallonië verschillen in de visie op maatschappij, staat, economie en sociale machtsverhoudingen. Dat is vandaag, zestig jaar later, zeker niet anders. In diezelfde periode is de socialistische beweging enkel maar verzwakt, vooral door toegevingen aan het neoliberalisme. Het is dan ook tijd dat de brede socialistische beweging het over een andere boeg gooit en een nieuw militantisme combineert met de eisen tot staatkundige verandering gebaseerd op de vaststelling van de regionale verschillen binnen het Belgisch kader. Het steunen van rechtmatige Vlaamse eisen stelt op geen enkel moment internationale solidariteit en samenwerking in vraag. Waar het om gaat, is het enten van dat deel van de Vlaamse werkende klasse dat doordrongen is van een strijdlustig nationalisme of een Vlaamsgezind enthousiasme op de instincten van de hedendaagse klassenstrijd. Hedendaagse protestmanifestaties allerhande, met de Gele Hesjesbeweging als meest bekende, bewijzen dat de Europese werkende klasse in haar verzet tegen de politieke gang van zaken ook de drager is of kan zijn van de Soreliaanse mythe en de bijhorende vitale energie. Wie de manifestatie van deze mythe in de hedendaagse tijd zoekt, zal het zeker niet vinden in de moderne kleinburgerlijkheid, de bevolkingsgroep die verdorven is door de zorg voor geld en eigendom, moreel ondermijnd door scepticisme en relativisme. Wanneer straks het neoliberale belgicistische regime nieuwe besparingen aanbrengt om de eeuwigdurende crisis en de factuur van Covid-19 te betalen, kan en moet een algemene grote staking als strijdmiddel overwogen worden. Deze keer, mét een sterke Vlaams-nationale bijdrage. Met Sorel kunnen we besluiten dat de toekomst toebehoort aan hen die niet gedesillusioneerd zijn.