“Welvaart zonder hebzucht. Hoe we onszelf van het kapitalisme kunnen redden.”

Een boek van Sahra Wagenknecht (Aufstehen, Die Linke)

Hoewel op het kapitalisme veel wordt gesakkerd, wordt het nog maar zelden ten gronde uitgedaagd. Sinds de jaren ’90 hebben politieke partijen zich –van links tot rechts– allemaal ingepast in de realiteit van het wereldomvattend liberalisme en de globale markteconomie. Op globale schaal zijn de grote staatsgeleide planeconomieën van Eurazië verdwenen. In Oost-Azië zijn ze getransformeerd tot hybride vormen van staatskapitalisme, die de globale markt gebruiken om een zowel door een marxistisch determinisme als door nationale belangen bepaalde finaliteit te realiseren. In België nemen de “communisten” van de PVDA de rol op die ooit voor de sociaaldemocraten gereserveerd was, namelijk opkomen voor fatsoenlijke pensioenen en een betaalbaar zorgstelsel, een goede verloning en het handhaven en zelfs uitbreiden van de openbare voorzieningen, tegen de stroom van privatiseringen en marktgerichte winstmaximalisatie in. Dit wordt gecombineerd met campagnes gericht tegen de graaicultuur van de politieke topkaste (niet onterecht, overigens) en het obligate over-accentueren van een zogenaamd na te streven “regenboogmaatschappij” (d.i. het te pas en te onpas inwrijven van de seksuele dimensie van het individuele subject). Alles wordt vervolgens overgoten met sausje van tenenkrommende hipheid die op een of andere manier de intelligentie van het doelpubliek zwaar lijkt te onderschatten. Maar in dat opzicht boert men nog niet eens zo slecht. Bij andere “linkse” partijen, zoals Groen, is diezelfde tenenkrommende hipheid vaak zowat het enige wat er nog van het partijprogramma overschiet.

Het is dan ook een ware verademing om te lezen dat er in het buitenland wel degelijk nog serieus over alternatieven wordt nagedacht. Eén van de meer interessante figuren in Europa in dit opzicht betreft de Duitse socialiste Sahra Wagenknecht. Wagenknecht was fractievoorzitster van Die Linke in het Duitse Parlement van 2010 tot 2019. In 1991 trad ze toe tot het Nationaal Comité van de PDS (de opvolger van de Oost-Duitse SED), waar ze zich als lid van de KPF (Kommunistische Platform) ontpopte tot één van de voorvechtsters van de orthodox-marxistische lijn. In 2018 richtte ze de Aufstehen-beweging op, een links-populistische beweging over de partijgrenzen heen, die in een aantal opzichten te vergelijken is met La France Insoumisse van Jean-Luc Méchelon. Bedoeling van deze beweging was om de modale Duitser en de arbeidersklasse, die zich ook in Duitsland in toenemende mate begon te voegen naar rechts-populistische theorieën en partijen, opnieuw warm te maken voor een links georiënteerd gedachtegoed. Een opvallend thema was hierbij het migratiestandpunt. Reeds vanaf 2015/2016 pleitte Wagenknecht voor gesloten grenzen en uitte ze kritiek op de –in haar ogen naïeve– “welkomstcultuur” van de Duitse centristische en groene partijen. Het leverde de nodige aversie op bij de Duitse linkerzijde (én ver daarbuiten), die zichzelf verscheurd ziet tussen een liberaal-kosmopolitische en een links-patriottische vleugel, waarbij deze laatste vooral sterk staat in de bondslanden die deel uitmaakten van de voormalige DDR. De liberale Europese pers schoot in paniek projecteerde het spookbeeld van red brown alliances, een beeld dat in België ook wel eens wordt voorgehouden door tegendraadse columnisten van het type Kaaiman (De Tijd), maar wellicht nog niet meteen voor morgen zal zijn. Hoe het ook zij, in maart 2019 trad Sahra Wagenknecht –wellicht noodgedwongen– af als voorzitster van de Linke-fractie en als leider van de Aufstehen-beweging, officieel wegens gezondheidsredenen. De liberale vleugel haalde hiermee haar slag thuis, althans voorlopig.

Maar Wagenknecht’s ideeën beperkten zich zeker niet tot immigratie. In 2016 verscheen van haar hand het boek “Reichtum ohne Gier: Wie wir uns vor dem Kapitalismus retten”, een werk dat ook in het Engels werd vertaald onder de titel “Prosperity without greed”.  In dit boek wordt daadwerkelijk gekeken naar een manier om het kapitalisme te overstijgen. Een van de centrale stellingen is dat de huidige vorm van kapitalisme in feite helemaal niets te maken heeft met een vrijemarkteconomie, en dat er in tegendeel van een echte vrije markt zelfs helemaal geen sprake is. In werkelijkheid wordt het economische veld strak bepaald door een zeer beperkt aantal spelers, die via monopolies, overnames en machtsconcentratie de touwtjes strak in handen houden. Kapitalisme is juist het tegendeel van de vrije markt, betoogt Wagenknecht. Daarenboven maakt ze in dit boek komaf met de algemene notie dat “iedereen die dat wil” een succesvolle zaak kan beginnen en ontkracht ze de mythe van de (globaal geworden) American Dream waarbij miljonairs die succesvolle bedrijven opstarten daar ooit mee zijn begonnen in een garagebox, om zich dan geleidelijk aan door hard werken en creativiteit omhoog te knokken. De daadwerkelijke voorbeelden daarvan die kunnen worden aangehaald, blijken zeer schaars te zijn. Integendeel, het kapitalisme blijkt vooral een feodale aangelegenheid, waarbij mogelijkheden om een succesvolle zaak op te starten voornamelijk afhankelijk zijn van het ter beschikking hebben van het nodige startkapitaal. En dat kapitaal is, ook in de eenentwintigste eeuw, in de eerste plaats nog altijd erfelijk. Op die manier blijft de financiële macht binnen het systeem generatie na generatie in handen van dezelfde endemische clans en oligarchische dynastieën.

Een andere vaststelling uit het boek is dat het kapitalisme, in weerwil van de populaire opvatting die misschien nog wel het best verwoord wordt het boek Why nations fail van Robinson en Acemoglu (2012), helemaal niet (langer) leidt tot innovatie, vooruitgang en creativiteit. Volgens deze stelling is één van de voorwaarden voor het tot stand komen van welvaart de premisse dat uitvinders en bedrijven hun producten en dus hun winsten gewaarborgd moeten zien door patenten, waardoor ze gestimuleerd worden om nieuwe innovaties te doen, die uiteindelijk ten goede komen aan de ganse samenleving. Maar in werkelijkheid worden patenten eerder misbruikt om nieuwe uitvindingen te bevriezen en bestaande monopolies veilig te stellen, zoals we bijvoorbeeld merken in de auto-industrie. Vanuit de industrie is er de laatste decennia maar weinig technologische vooruitgang meer geboekt, behalve op het vlak van ICT. Belangrijke middelen zoals transport en infrastructuur zijn maar met mondjesmaat vooruitgegaan sinds het tijdperk van de grote vooruitgang tussen 1850 en 1989. Zo rijden we in wezen nog steeds met dezelfde auto’s, op wat elektronische gadgets en een airco na, en maar weinig uitvindingen die zijn gedaan komen ook de gemeenschap als zodanig vooruithelpen (bijvoorbeeld door een oplossing te zoeken voor de ecologische problemen, die in toenemende mate een splijtzwam zijn gaan vormen in onze samenleving). Bedrijven blijken nauwelijks te investeren in echt onderzoek en innovatie, en zijn vooral geïnteresseerd in manieren waarop beknibbeld kan worden op de kosten. Naarmate er meer en meer bespaard wordt op arbeid, door automatisering of “flexibele jobs”, verdwijnt de middenklasse en groeit de ongelijkheid tussen de superrijken aan de top en de nieuwe arbeidersklasse. Kwalitatieve, bevredigende jobs verdwijnen en ambachtelijk vakwerk door professionele en geschoolde stielmannen wordt vervangen door bestellen via the internet of things. De cultuur van Ikea en 3D-printers reduceert arbeiders tot hersenloze uitvoerders van onbevredigende klusjes op maat van de consument, die daarenboven ook nog eens in toenemende mate door technologie worden overgenomen. De tijd die door deze automatisering wordt vrijgemaakt, wordt echter niet besteed aan het nastreven van meer verheven doeleinden en zinvolle vrijetijdsbesteding. Integendeel, werkdruk en burnouts nemen in de westerse wereld nog steeds toe.

Door het opkopen of uitschakelen van nieuwkomers op de markt door de vaste monopoliehouders, blijkt de markt in belangrijke mate een gesloten circuit, dat onder de directe controle valt van de financiële dynastieën. Opvallend hierbij is dat de staat vanouds een historische rol heeft gespeeld om dit kapitalisme te ondersteunen en faciliteren. Zo heeft de Britste staat in de loop van de negentiende eeuw gezorgd voor de nodige infrastructuur (kanalen en spoorwegen), communicatielijnen (telefonie en telegraaf), het legalistische kader van de eigendomsrechten en de privatisering van de gemene gronden, die de uitbouw van de kapitalistische, industriële economie hebben mogelijk gemaakt. Het is een grote paradox voor de aanhangers van het laissez-faire liberalisme dat dit liberale kapitalisme zich alleen maar heeft kunnen ontwikkelen dankzij een voorheen ongekende graad van staatsinterventie. In de twintigste eeuw namen de investeringen vanuit de publieke sector, die de private bedrijven ten goede kwamen, zelfs nog toe. En ook vandaag de dag nog blijven staten en supranationale entiteiten zich engageren om de oligarchie van de monopoliehouders te ondersteunen en in stand te houden. De mythe van de private economische actoren die “op eigen kracht” de samenleving overeind houden, is dus nergens op gebaseerd. De rol van de staat is in dit systeem, net zo goed als in het socialisme, onontbeerlijk. “De staat is aanwezig in zowat alle sectoren van het economische leven in de vorm van krediet- en exportgaranties, kapitaalinjecties, miljoenen aan subsidies, en publiekelijk gefinancierd onderzoek, met name op het vlak van innovatie en het bereiken of behouden van technologisch overwicht”, merkt Wagenknecht op pagina 112 fijntjes op. Voorbeelden van grote private spelers wiens monsterwinsten in belangrijke mate het resultaat zijn van overheidssubsidies vindt men bij Google, Apple en de farmaceutische industrie.

Echte ondernemers hebben geen kapitalisme nodig, stelt Wagenknecht halverwege haar boek. Open instituties en intellectuele commons, die ten goede komen aan de ganse gemeenschap, zijn daartoe de sleutel. Ze trekt historische parallellen met het Chinese bestuurssysteem van de mandarijnen tijdens de Ming Dynastie (14de-17de eeuw), dat open stond voor alle ambtenaren met voldoende talent en intelligentie. Een innovatieve economie dient dan ook rekening te houden met hoe goede ideeën ontstaan. Wetenschappelijk onderzoek wijst uit –en Wagenknecht haalt hierbij de Amerikaanse auteur Johnson aan– dat de grote innovaties uit de 17de eeuw (Newton, Franklin, Priestley, Hooke, Locke, Jefferson, …) niet voortkwamen uit individueel en marktgeoriënteerd onderzoek, maar daarentegen uit netwerkend en niet-marktgeoriënteerd onderzoek. Misschien enigszins verrassend, was dit ook het geval tijdens de ontwikkeling van het kapitalisme in de negentiende eeuw. Een echt innovatieve economie kan dan ook enkel bestaan als het systeem een maximale ontplooiing van intellectuele gemeenschappelijke netwerken toelaat, waarbij de resultaten ten goede komen aan de ganse samenleving. Ondernemers die hier gebruik van maken, worden ook beloond voor het innoverende karakter van hun producten.

Maar hoe wil Wagenknecht de economie dan concreet gaan inrichten? Voor het uitoefenen van kritiek-om –de-kritiek en het formuleren van abstracte principes zonder daadwerkelijke antwoorden, kunnen we evengoed een boek van, horresco referens, George Monbiot gaan lezen. Maar dit is gelukkig niet het geval bij de Duitse socialiste. Ten eerste pleit Wagenknecht voor het opzetten van coöperatieve banken. Na een betrekkelijk lange en abstracte uitleg over geld en het bankwezen, en de financiële crisis van 2007, stelt ze sterke nationale, centrale banken voor als kredietverstrekkers en financiers van staatsinstellingen van waaruit publiekelijk gefinancierd onderzoek plaatsvindt. Als enige kunnen deze centrale banken ook geld in circulatie brengen, dat niet bedoeld is om leningen te verstrekken. Daarnaast kunnen deze centrale banken staatsbonnen aanbieden waarin burgers van de staat hun spaargeld (veilig) kunnen beleggen, spaargeld dat op zijn beurt dan weer geïnvesteerd kan worden in publiekelijk gefinancierd onderzoek. Andere banken, die actief willen blijven op de vrije markt, zullen die mogelijkheid krijgen, maar dan zonder dat de staat nog garant staat bij excessieve verliezen die hun ondergang kunnen betekenen. Banken die zich dat niet kunnen veroorloven, en dat zullen de meeste zijn, zullen conform het “IJslandse model” worden opgesplitst in “goede banken” met zichtrekeningen, spaargeld en andere persoonlijke rekeningen, en “slechte banken” met kwalijke leningen en bedenkelijke financiële producten. De goede banken worden dan getransformeerd tot gemeengoedbanken, terwijl de aansprakelijkheid voor de slechte banken niet langer bij de gemeenschap, maar bij de kwalijke financiële producten komt te liggen, i.e. de financiële oligarchie die er de eigenaar van is. Op die manier kan de overgang worden gemaakt naar een bankensector die gericht is op het gemeenschappelijke goed van de samenleving. Een soevereine monetaire orde is het beoogde eindresultaat, want dit is een conditio sine qua non voor een soevereine staat.

Voor wat de bedrijven betreft, voorziet Wagenknecht vier types van ondernemingen. Het eerste is het klassieke private type dat volledig winst-georiënteerd is. Hiervoor zijn de eigenaars dan ook volkomen persoonlijk aansprakelijk en dragen ze alle persoonlijke risico’s. Het spreekt voor zich dat dit soort ondernemingen nog slechts voor een beperkt aantal doeleinden (en ondernemers) aantrekkelijk zal blijven, en dat het belang ervan in de economie gevoelig zal afnemen. Een tweede type onderneming is het bedrijf in eigendom van de werknemers. Zij bezitten persoonlijk de nodige aandelen in het bedrijf en kiezen uit hun eigen rangen vertegenwoordigers die zetelen in de Raad van Bestuur. Externe aandeelhouders zijn bij dit soort bedrijven volledig uitgesloten. Voor grote ondernemingen in oligopolistische markten wordt dit soort bedrijf echter niet geschikt geacht. Daarom stelt Wagenknecht hier een derde type voor: de publieke onderneming. De bestuursraad bestaat hier slecht voor de helft uit verkozen werknemers, de rest van de zitjes wordt ingenomen door belanghebbenden (in moderne terminologie: de stakeholders) die afkomstig zijn uit de gemeenten en regio’s waarin de economische activiteiten worden uitgevoerd. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan bedrijven die zich bezighouden met het ontginnen van grondstoffen of waarvan een groot deel van de bevolking van een bepaalde streek afhankelijk is voor de werkgelegenheid. In elk geval zouden bedrijven met meer dan 1 000 werknemers reeds een vertegenwoordiger van de gemeente in hun Raad van Bestuur moeten hebben, en kunnen bedrijven van meer dan 20 000 werknemers gezien hun impact op de gemeenschap geen private of louter door de werknemers bestuurde ondernemingen meer zijn. Tot slot is er nog het zogenaamde “gemeengoedbedrijf”. Dit zijn bedrijven in sectoren waarbij er een tendens bestaat tot monopolies. Ze zijn niet winst-georiënteerd, niet geschikt voor commerciële uitbating, en de goederen of diensten die geproduceerd worden hebben eerder betrekking op menselijke basisbehoeften dan op koopkracht. Ze worden dan ook publiekelijk gefinancierd.

De verdienste van het boek van Wagenknecht is dat er nagedacht wordt over een socialisme dat niet alleen probeert om een helder alternatief te formuleren op het roofkapitalisme van de voorbije decennia, maar tevens een poging waagt om de bureaucratie, inertie en het centralisme van de vroegere planeconomieën te omzeilen door in te zetten op innovatie, deconcentratie en subsidiariteit. Tevens doorprikt het boek veel mythes die het westers kapitalisme van een aura van relatieve onfeilbaarheid hebben voorzien (“There is no alternative!”) en reikt het boek een verklaring aan waarom dat succes de laatste tijd steeds meer in twijfel kan worden getrokken. De ideeën van Wagenknecht kunnen dan ook als een goed startpunt worden gezien voor het uitbouwen van een alternatief economisch systeem, waarbij nationale soevereiniteit en gemeenschappelijk welzijn hand in hand gaan met de uitbouw van een duurzame, innovatieve en socialistische economie. Een boek dat niet alleen Vlaamse socialisten, maar ook Vlaams-nationalisten best eens zouden lezen.

Wagenknecht, S. (2016) Prosperity without Greed. How to save ourselves from capitalism. Frankfurt-am-Main, Campus Verlag, 256 p.

ISBN-nummer: 9783593507583