Vandaag verdedigt een échte marxist het recht op soevereiniteit

Het is niet mogelijk de economie te resocialiseren zonder een voorafgaand herstel van de nationale soevereiniteit. De natiestaat kan democratisch zijn: de geglobaliseerde economie zonder politiek zal nooit democratisch zijn. Bevrijding van het globalistische juk en zijn “externe beperkingen” (bijv. de Europese Unie), die door supranationale besluiten elke democratische ruimte vernietigen, is een conditio sine qua non voor de herpolitisering van de economie en voor de herdemocratisering van de sociaal-politieke realiteit (met een welfaristisch beleid en nationale manoeuvres die gericht zijn op volledige werkgelegenheid).

Zonder politieke soevereiniteit kan er geen sprake zijn van democratie en sociale rechten. Zonder populisme, d.w.z. zonder beweging van onderaf en weg uit passiviteit kan er geen sprake zijn van democratische en socialistische soevereiniteit. Tegenover de mooie begoochelingen van het globalisme van de rechten en de mondiale democratie, moet met het realisme van Antonio Gramsci, herhaald worden dat “elke verovering van de beschaving permanent wordt, het is echte geschiedenis en niet een oppervlakkige en voorbijgaande episode, want het is belichaamd in een instelling en vindt een vorm in de Staat” (De Staat en het Socialisme, 1919).

Zolang we ons beperken tot het bedenken van ofwel – à la Toni Negri in zijn werk ‘Empire’ – een thaumaturgische omverwerping van het globalisme via het communisme, ofwel een lineaire evolutie van de globalisering naar democratie en gelijkheid, blijft de socialistische gedachte – opnieuw in Gramsci’s woorden van ‘De Staat en het Socialisme’: “een mythe, een vluchtig schimmenspel, een loutere willekeur van de individuele verbeelding”.

Om te kunnen worden uitgevoerd, heeft het democratisch socialisme een subjectiviteit nodig die is georganiseerd in een revolutionaire beweging, die vandaag de dag samenvalt met het nationaal-volkse knechtschap (populistisch moment). En tegelijkertijd heeft het de staatsvorm (soevereiniteitsmoment) nodig, als een vorm die in staat is de veroveringen van de beweging te institutionaliseren en ze tot een regering te maken waarin de volkssoevereiniteit centraal staat.

Bovendien zijn er geen vormen van socialisme min of meer perfect gerealiseerd, behalve in het kader van concrete natiestaten: van Che Guevara’s “vaderland of de dood” tot het “socialisme in één land” van het Sovjetgebied, dat door de Scandinavische sociaal-democratieën en de “Bolivariaanse” patriottische socialismen van Latijns-Amerika (Bolivia van Morales, Venezuela, enz.) loopt. Zo is het soevereine populisme – een variant van het marxisme in het nieuwe millennium – de beweging waardoor het volk, dat de voorwaarde van ondergeschikte passiviteit loslaat, terugkeert naar de rol van protagonist van zijn eigen historische gebeurtenissen. Het herstelt zijn eigen soevereiniteit en zichzelf als conflictueuze en wraakzuchtige, participatieve en deliberatieve hoofdrolspeler: en begint te bewegen, met zijn eigen “collectieve wil”, zou Gramsci zeggen, volgens conceptuele lijnen die tegengesteld zijn aan die van het dominante blok en die allemaal rond het toekomstige vuur van het herstel van de soevereiniteit draaien als basis voor de heropening van het tweerichtingsconflict tussen het knechtschap en de heer van stand, en de mogelijke terugkeer naar de democratie en de sociale rechten.

Daarom is soeverein populisme, zoals Carlo Formenti goed heeft laten zien in zijn boek ‘De populistische variant – Klassenstrijd in het neoliberalisme’, in de huidige tijd de enige mogelijkheid om de macht terug te geven aan het democratische element. Zonder de soevereiniteit “van” de Staat kan er geen sprake zijn van die volkssoevereiniteit “in” de Staat die uiteindelijk samenvalt met democratie als zijnde zelfbeschikking van de “demos”, het volk: in de volgorde van de klassenstrijd die van bovenaf wordt gevoerd door de vluchtige financiële, globalistische elite, is de opheffing van de soevereiniteit “van” de Staten altijd functioneel tot de opheffing van de volkssoevereiniteit “in” de Staten, zodat de besluiten worden verplaatst van de nationale parlementen naar de postnationale raden van bestuur.

Ook hieruit kunnen we het onvermijdelijke verband zien tussen democratie en nationale ruimte, enerzijds, en tussen economische dictatuur en kosmopolitische ruimte anderzijds. De klassenstrijd gaat vandaag de dag tussen onbeperkte financiële openheid aan de ene kant en nationale autonomie als basis voor het mogelijke beslissingsrecht van de “demos” aan de andere kant. De heer van stand, die ooit nationalist was, is nu kosmopoliet. De dienaar moet van zijn kant pro soevereiniteit en internationalisme zijn, nooit nationalistisch in regressieve zin of juist kosmopolitisch in een liberalistische zin. Het nationalisme, zoals het kapitalistische individualisme naar de natie verwees, past het concurrentievermogen van “bellum omnium contra omnes” toe op de band met andere naties: als het kon, zou het deze neutraliseren om zijn eigen verworven egoïsme te beschermen. Het kosmopolitisme van zijn kant vecht tegen de nationale dimensie in naam van de openheid en het gedereguleerde vrije verkeer.

Het socialistische internationalisme, ten slotte, waardeert de nationale dimensie, maar niet het imperialistische nationalisme: het weet dat men niet internationaal kan zijn zonder nationaal te zijn, en dat men pas democratisch en socialistisch kan zijn zonder het imperialistische nationalisme en zijn geglobaliseerde evolutie, door het liberalistische kosmopolitisme als het planetaire domein van één enkele natie (de dollarmonarchie) en van één enkele manier van denken, bestaan, spreken en relateren, omver te werpen.

Daarom is het socialistische internationalisme, dat soeverein populisme combineert met internationalisme en socialistische democratie, fel gekant tegen zowel het imperialistische nationalisme als het mercantiele kosmopolitisme. Het stelt de leidende gedachte van een nationale (en niet post-nationale, à la Habermas) constellatie van solidariteit en gemeenschap voorop, socialistische en democratische vaderlanden, met respect voor hun eigen onherleidbare anders-zijn en samen opgevat als zusters en niet als concurrenten in de arena van de oorlog van allen tegen allen.

Diego Fusaro
Bron: 11 juli 2019, Il Fatto Quotidiano