Thomas Sankara, “Afrika’s eigen Che Guevara”…

Thomas Sankara (21 december 1949 – 15 oktober 1987) was een Burkinabé, legerkapitein, revolutionair, pan-Afrikaans theoreticus en president van Burkina Faso van 1983 tot 1987. Door aanhangers werd hij  gezien als een charismatisch en iconisch revolutionair figuur, hij wordt tot op heden meestal aangeduid als “Afrika’s Che Guevara”. Sankara was tussen 1983 en 1987 de leider van een van de meest inspirerende Afrikaanse revoluties. Op 15 oktober 1987 werd hij – in nog altijd onduidelijke omstandigheden – vermoord, meer dan waarschijnlijk op bevel van zijn voormalige vriend en strijdmakker Blaise Compaoré en met medewerking of op aansturen van de voormalige kolonisator Frankrijk.

Net zoals bij andere historische figuren die we met de Zannekinbond aanbrengen, dient dit geen nostalgisch verlangen als doel. Het belang van Sankara, zelfs meer dan 30 jaar na zijn dood, is vooral zijn verzet tegen het neokolonialisme en de ermee verbonden schuldenproblematiek. Tot op heden zijn elementen uit zijn verzet, zowel inhoudelijk als op vlak van stijl een inspiratiebron. Sankara was de verpersoonlijking van een politiek leider die idealisme en soberheid ten allen tijde liet primeren op persoonlijk (materieel) succes. Na de golf van “onafhankelijkheids”-toekenningen begin de jaren 1960, verkeerden de oud-kolonies in een nieuwe staat van afhankelijkheid die tot op de dag van vandaag hun positie bepaalt: neokolonialisme, onafhankelijkheid als een illusie die vooral lokale verzetsbewegingen moest bedwingen, waarbij de voormalige koloniale machten vervangen werden door marionettenregimes die trouw de belangen van het voormalige moederland en haar kapitaalsbelangen verder dien(d)en. De nationale vlag veranderde, maar niet wie de daadwerkelijke macht en invloed had. Sankara was één van de weinige Afrikaanse staatshoofden die daartegen in opstand kwam. Gelet op zijn blijvende –en opnieuw groeiende- populariteit, is internationale solidariteit noodzakelijk met hen die het socialisme in de kleuren van de volkeren en hun diversiteit vertalen.

Sankara symboliseert ook een kritiek op de dominante postkoloniale theorie. Het postkolonialisme, gebaseerd op de stelling dat de voormalige kolonies een sociaaleconomische en culturele achterstelling vertonen (wat allicht waarheid bevat) maar dat de deconstructie van de bestaande koloniale restanten vaak moet gebeuren op basis van een westers geïnspireerd kader in plaats van de plaatselijke, lokale wensen en kenmerken. Na de inwijking van kolonialen destijds zien deze landen zich dan opgezadeld met allerhande tussenkomsten van politieke en academische buitenstaanders die denken best te weten hoe de restanten van dat kolonialisme moeten worden aangepakt. De dominante postkoloniale theorie gaat grotendeels voorbij aan het feit dat deze landen geen echte onafhankelijkheid of soevereiniteit verwierven en hun marionettenregimes doorgaan met het uitverkopen van de natuurlijke rijkdommen ten dienste van westers kapitaal. Er kan geen echt “postkolonialisme” zijn zolang de exploiterende kern van het westers kapitaal niet is ontmanteld. 

Het gedachtegoed van Sankara onderging belangrijke invloeden tijdens zijn vorming in de militaire school. In de onderwezen sociale wetenschappen werd hij beïnvloed door Adama Touré in de richting van een gecombineerd maoïsme, stalinisme en panafrikanisme. Een militaire opleidingsperiode in Madagascar maakt hem bekend met landbouwtechniek maar ook met sociale onrust en de erop volgende repressie. Onder het bestuur van president Zerbo werd hij gepromoveerd tot legerkapitein en diende korte tijd als minister. Repressie, uitschakeling van oppositiepartijen, het uitroepen van de noodtoestand gecombineerd met wijd verspreidde corruptie deden hem opstappen als minister om vrijwel meteen mee te werken aan de uitbouw van een netwerk van activistische cellen bestaande uit medeofficieren, studenten en opposanten. Zerbo zou later, tijdens het bestuur van Sankara, veroordeeld worden wegens belastingfraude en onwettige persoonlijke verrijking. In het voorjaar van 1983 maakte Sankara een rondreis doorheen een aantal dissidente landen in Afrika en elders. In die periode creëert hij warme relaties met de Libische Jamahiriya van Muammar Kadhaffi, wiens stevige invloed hij met het bekende Groen Boekje onderging. Sankara was ook te gast op de zevende top van de Beweging van Niet-Gebonden Landen in New Delhi, de warme sympathie voor deze beweging zou mede onder invloed van Kadhaffi’s Derde Universele Theorie aanhouden tijdens zijn latere presidentschap. Op dat moment was Sankara een rijzende ster die op de internationale Bühne zijn president Ouédraogo in de schaduw plaatste. 

In augustus 1983 greep Sankara samen met een aantal andere legerofficieren de macht via een staatsgreep die een meerderheid van de bevolking ondersteunde. De Nationale Raad voor de Revolutie (CNR) was een feit:

“Volk van Opper-Volta! Soldaten, onderofficieren en officieren van het nationale leger, zagen zich samen met paramilitaire krachten nog maar eens verplicht om tussen te komen in het staatsbestuur om zo onafhankelijkheid, vrijheid voor ons land en waardigheid voor ons volk te herstellen. De basisdoelstelling is (…) vrijheid, echte onafhankelijkheid en sociale vooruitgang.”

 De Augustusrevolutie  bracht de nodige onrust bij Westerse kapitalistische kringen die betrokken waren in het neokoloniale verhaal. 95% van de productie in Opper-Volta was bestemd voor het buitenland. Men voelde de bui al hangen. Sankara richtte zijn pijlen op enerzijds de “bourgeoisie” (een heterogene groep die zich had verrijkt via staatsinfrastructuur en –instellingen, via handel en een middenklasse die lippendienst bewees aan de CNR om eigenbelang te beschermen) en anderzijds op hen die traditionele structuren van een feodale maatschappij wensten te behouden.

Hij lanceerde onmiddellijk een van de meest ambitieuze programma’s voor sociale en economische verandering die ooit werden uitgeprobeerd op het Afrikaanse continent. Om deze nieuwe autonomie en wedergeboorte te symboliseren, doopte hij het land Opper-Volta om naar Burkina Faso (“Land van de Rechte Man”). Zijn buitenlands beleid was gericht op anti-imperialisme, waarbij zijn regering alle buitenlandse hulp schuwde, schuldafbetalingen afwees, alle land- en minerale rijkdom nationaliseerde en de macht en invloed van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank afweerde. Schuld moest volgens Sankara worden gezien vanuit het standpunt van zijn oorsprong: de oorsprong van schulden komt van de oorsprong van het kolonialisme. Degenen die Afrika geld lenen zijn degenen die het eerder hadden gekoloniseerd. In de huidige vorm is schuld een slim beheerde herovering van Afrika, met als doel de groei en ontwikkeling ervan te onderwerpen aan buitenlandse regels. “Zo wordt ieder van ons de financiële slaaf, dat wil zeggen een echte slaaf, van degenen die verraderlijk genoeg waren geweest om geld in onze landen te steken met verplichtingen voor ons om terug te betalen … Maar als we terugbetalen, gaan we dood.”

Zijn binnenlandse beleid was gericht op het voorkomen van hongersnood met agrarische zelfvoorziening en landhervorming, en het geven van prioriteit aan onderwijs met een landelijke alfabetiseringscampagne. De alfabetisering steeg van 13% van de bevolking bij zijn aantreden als president tot 73% in de periode dat hij werd vermoord. Voorts implementeerde Sankara een bevordering van de volksgezondheid door 2,5 miljoen kinderen te vaccineren tegen meningitis, gele koorts en mazelen. Andere componenten van zijn nationale agenda waren onder meer het planten van meer dan tien miljoen bomen om de groeiende woestijnvorming vanuit de Sahel te stoppen, de tarweproductie te verdubbelen door land te herverdelen van feodale landheren naar boeren, en het opzetten van een ambitieus wegen- en spoorbouwprogramma om “de natie samen te binden”. Op lokaal niveau riep Sankara ook elk dorp op om een ​​medisch centrum met apotheek te bouwen en liet meer dan 350 gemeenschapsscholen bouwen met hun eigen arbeid.

Bovendien heeft zijn toewijding aan de rechten van vrouwen hem ertoe gebracht genitale verminking van vrouwen, gedwongen huwelijken en polygamie te verbieden, terwijl hij vrouwen in hoge regeringsposities benoemde en hen aanmoedigde om buitenshuis te werken en op school te blijven, met toekenning van zwangerschapsverlof. Vrouwenemancipatie werd gezien als deel van klassenstrijd en kreeg –helaas- een sterk economische invulling. De marxistische drang naar maximale economische productie verschilt weinig van bepaalde protestantse werkethiek die het kapitalisme schraagt en draagt een zekere ontmenselijking van de persoon in zich. Sankara sloot aan bij de visie dat de natuurlijke vrouwelijke tederheid mee ertoe leidde dat vrouwen ondergeschikt raakten in een door mannelijke dominantie gekenmerkte omgeving. Vrouwen werden bijgevolg weggeleid van familie- en gezinsleven richting de werkplaats, iets waarin hij afweek van Kadhaffi’s visie die meer benadrukte dat traditionele structuren, gezinsleven of moederschap niet de kern van het probleem van vrouwelijke emancipatie vormen. Finaal leidt de overdreven nadruk op de bevrijdende waarde van arbeid evengoed tot schade aan het gezinsleven en welzijn als een dominant patriarchaat. Hoe “bevrijdend” de betrokkenheid van Burkinabé-vrouwen in arbeid voor herbebossing, spoorwegenaanleg, irrigatiewerken,…  dan wel was blijft nog maar de vraag… In elk geval wezen de commentaren van Sankara op huwelijk en moederschap erop dat de Augustusrevolutie de mannen niet had “genezen” van slechte patriarchale gewoonten als potentiële “onderdrukkers” binnenshuis.    

Op fora zoals de Organisatie van Afrikaanse Eenheid sprak Sankara tegen de voortdurende neokolonialistische penetratie van Afrika door westerse handel en financiële afhankelijkheid. Als aanhanger van het panafrikanisme riep hij op tot een verenigd front van Afrikaanse landen om hun buitenlandse schuld af te wijzen zonder betalen. Hij betoogde dat de arme en uitgebuite  geen verplichting hadden om geld terug te betalen aan de rijken en uitbuiters. Vermoedelijk bezegelde zijn oproep tot het niet terugbetalen van openstaande openbare schulden in zijn beroemde speech op de bijeenkomst van de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid in Addis Abeba ook definitief zijn lot. Deze speech uit 1987, ‘Discours sur le Front Uni Contre La Dette’, was meteen ook een oproep tot de vorming van Afrikaanse eenheid rond autarchie en de beperking van wapenaankopen op het Afrikaanse continent. Ondanks de felle en consequente afwijzing van buitenlandse financiële ”hulp” slaagde Burkina Faso erin het nationaal budget te laten stijgen en vooral de uitgaven voor onderwijs en gezondheidszorg fors op te drijven. Sankara kreeg beperkte internationale hulp: wat landbouwmateriaal van de Sovjet-Unie, een intrestvrije lening van China voor landbouw en een sportstadion en twee dozijn gespecialiseerd medisch personeel van Cuba. 

Sankara werd niet alleen bekend omwille van zijn beleid gericht op verregaande emancipatie van de bevolking en ontwikkeling van het land. Zijn bestuursstijl en persoonlijk leven werden gekenmerkt door soberheid en discipline zoals het een echte bestuurlijke elite betaamt. Een bloemlezing: de ministeriële Mercedesvloot werd vervangen door het type Renault R5, op dat moment de goedkoopst verkrijgbare  auto in Burkina Faso.  Privéchauffeurs voor ministers en hoge ambtenaren werden verboden, evenals vliegtuigtickets in first class. Persoonlijke giften van andere staatshoofden (waaronder auto’s) stond Sankara af aan de staat. In de hoofdstad Ouagadougou heeft Sankara de bevoorradingswinkel van het leger laten ombouwen tot een staatssupermarkt die voor iedereen toegankelijk was, het leger zelf werd ingeschakeld in projecten voor wegenbouw, herbebossing,…. Ambtenaren werden gedwongen om een maandloon te betalen aan openbare projecten terwijl hij zijn salaris als president verlaagde tot 450 dollar per maand. Zijn persoonlijke bezittingen beperkten zich tot een huis waarop hij een lening afbetaalde, twee stukjes braakliggende grond, een auto, enkele fietsen, drie gitaren, een koelkast en een diepvries. Omdat het gros van de bevolking niet over airconditioning beschikte, wees hij dit voor zichzelf ook af.

Sankara eiste van ambtenaren dat ze traditionele kledij droegen, geweven van Burkinabe-katoen en genaaid door Burkinabe-ambachtslieden, als symbolische illustratie van een beleid gericht op versterking van  de lokale industrie en nationale identiteit. De vermindering van overheidsbureaucratie was zeker een van de meest unieke aspecten van zijn bestuur, zeker ook in vergelijking met andere staten die zich in hetzelfde tijdperk op het marxisme-leninisme beriepen. Ondanks de wijd verspreide aanwezigheid van zijn portretten in de private sfeer, wees hij ook elke persoonlijkheidscultus af. Op de vraag waarom hij niet wilde dat zijn portret op openbare plaatsen hing, zoals de norm was voor andere Afrikaanse leiders, antwoordde Sankara: “Er zijn zeven miljoen Thomas Sankaras.”

De radicale transformatie van de samenleving had ook een keerzijde van de medaille. Om resultaten te boeken, oefende hij in toenemende mate autoritaire controle uit over de natie. Het top-down bestuur ter bescherming van de revolutie werd aangepast tot op alle lagere niveaus (dorpen, wijken, werkplaatsen,…) waar voortaan Comités voor de Verdediging van de Revolutie (CDR) de inspraak van de bevolking zouden verzekeren en terzelfdertijd politieke opvoeding organiseren. Inspraak werd voortaan via vormen van directe democratie geregeld in plaats van parlementarisme. Een duidelijke en directe invloed van Kadhaffi’s theorie. Instellingen waarvan hij geloofde dat ze zijn plannen in de weg konden staan werden aan banden gelegd. Niettemin werd Burkina Faso via de lokale CDR-comités een sterk gedecentraliseerd land, zeker in vergelijking met andere landen die zich op een socialistische visie beriepen. Persvrijheid werd conform het leninisme aangepakt: persvrijheid is in een kapitalistisch land de vrijheid van de rijken om te publiceren en de vrijheid van kapitalisten om de kranten te controleren. Voor een arbeiders- en boerenregering betekende persvrijheid de bevrijding van de pers van de kapitalistische onderdrukking en het invoeren van publieke eigendom van papierfabrieken en drukkerijen.

Om oppositie in steden en werkplaatsen in het hele land te verzwakken, probeerde hij ook corrupte ambtenaren en contrarevolutionairen in revolutionaire volkstribunalen (TPR) te berechten. In tweede instantie waarschuwden de volkstribunalen de bevolking voor moreel verval en het belang van sociale rechtvaardigheid. Was dit alles naar liberale normen democratisch? Zeker niet. De vraag is echter of we die liberale normen nog steeds onbetwist als standaard moeten aanvaarden, gelet op de resultaten…? Kan er überhaupt democratie bestaan waar kapitalistische uitbuiting, verpletterende schuldenlast en gebrek aan nationale soevereiniteit hand in hand gaan? Sankara vertegenwoordigde het “grote leidersmodel” van radicale verandering. De Burkinabé-revolutie van 1983-1987 kwam niet vanuit de bevolking, het was geen revolutie van onderaf. Het was eerder een revolutie van bovenaf, uitgevoerd door een jonge, geschoolde leider en enkele medestanders.

Sankara’s revolutie, geworteld in een mengeling van marxisme-leninisme, panafrikanisme en vooral een radicale vorm van Derde Weg-nationalisme, had het gevestigd neokoloniaal status quo bedreigd. Een snelle contrarevolutie werd in oktober 1987 met de steun van neokoloniale belanghebbenden uitgevoerd door één van Sankara’s naaste medewerkers, Blaise Compaoré. Ivoorkust, met een grote Burkinabé-bevolking binnen zijn grenzen, vreesde dat de revolutie zich zou kunnen uitbreiden buiten Burkina Faso. Het wenste een terugkeer naar de oude afhankelijkheid die eerder de relatie tussen de twee landen had geleid, net zoals Frankrijk en de andere neoliberale machten wilden dat Burkina Faso opnieuw werd opgenomen in mondiale systemen van economische uitbuiting.   Het beleid van Sankara werd al snel omgedraaid met een schrikbewind dat zou duren tot Compaoré’s afzetting in 2014. Het was ook alleen dankzij de val van Compaoré dat een einde kon komen aan de repressie jegens elke positieve verwijzing naar Sankara en zijn beleid. Sinds het einde van Sankara’s bestuur is Burkina Faso eerder negatief geëvolueerd, het land staat momenteel op de rand van de afgrond. Net als elders wordt ook in Burkina Faso van de “strijd tegen terreur” gebruik gemaakt om enerzijds rechten en vrijheden in te perken en anderzijds de aandacht af te leiden van sociale onrust en groeiende ontevredenheid bij de bevolking.