Raad van Vlaanderen: pionier van sociale zekerheid, vermogensbelasting en nationaal gecontroleerde economie

https://dondusang88.fr/1860-dtgf41655-site-de-rencontre-pour-mineur.html Reeds meer dan een eeuw geleden, op 22 december 1917, riep zoals bekend de ‘Raad van Vlaanderen’ de onafhankelijkheid van Vlaanderen uit. Deze Raad was eerder dat jaar, op 4 februari, opgericht. In volle oorlogstijd dus. Op een Landdag werd een manifest aangenomen waarin voorzien werd dat de zogenaamde Raad van Vlaanderen een orgaan zou zijn dat “alle vraagstukken van maatschappelijke, politieke en economische aard, betrekking hebbende op de toekomst van het Vlaamse volk, zal onderzoeken en oplossen”. Ze wensten de bestuurlijke scheiding door te voeren, namelijk de splitsing van alle ministeries en administraties. Er werd vanuit gegaan dat internationale vrede in aantocht was en dat de Raad van Vlaanderen de Vlaamse eisen op een vredesconferentie ter sprake zou brengen.

anxiously De leden geloofden in een vredevolle nabije toekomst en wensten te bewijzen dat Vlaanderen in staat was zichzelf te besturen.  August Borms, één van de belangrijkste leden, verwoordde het als volgt:  “De vrede hangt in de lucht! Hij kan onmiddellijk intreden. Ik zou dan ook vragen van het ogenblik gebruik te maken om de Politieke Scheiding uit te roepen (…). Wij zijn nu eerst revolutionairen (…). Laat ons de Vlamingen een daad tonen. Dan zullen ook de Duitsers meer eerbied voor ons hebben. Leve de Politieke Scheiding!” De Duitse bezetter wou echter helemaal niet instemmen met een onafhankelijke Vlaamse staat en werkte de initiatieven vanuit de Raad al snel tegen. Het bezettingsbestuur, dat met het oog op eventuele vredesonderhandelingen, de voorkeur gaf aan een federalistisch België, remde voortdurend af. Het liet niet toe dat de Raad met haar radicaal separatisme meer zou betekenen dan een adviserend functie. De onafhankelijkheidsverklaring op 22 december gebeurde dan ook zonder medeweten van de Duitsers.

Badarganj Tot daar de historische feiten van een onafhankelijkheidverklaring die in principe weinig of geen daadwerkelijke politieke verandering teweeg bracht. Wat voor ons in het algemeen en de Zannekinbond in het bijzonder, belangrijker is en best wat meer in de aandacht mag worden geplaatst, is de motivering die de leden van de Raad van Vlaanderen aan hun onafhankelijkheidsverklaring koppelden. Aan  de onafhankelijkheidverklaring van 22 december 1917 ging een manifest vooraf dat al in februari 1917, nauwelijks een aantal dagen na de oprichting van de Raad van Vlaanderen, werd opgesteld. De radicale eis tot Vlaams zelfbestuur werd in dit manifest duidelijk op sociaaleconomische grondvesten gestoeld.

Het manifest schetst een beeld van de wantoestanden waarin de doorsnee Vlaamse bevolking tot dan toe leeft. Naast een aanklacht tegen partijpolitiek die niet in staat blijkt de problemen op te lossen, richt het manifest de pijlen op België dat de meest hoogdringende hervormingen op cultureel, maatschappelijk en economisch gebied weigerde door te voeren met als resultaat dat de laagste bevolkingsklassen in Vlaanderen geen menswaardig bestaan kenden. Eén op zes Vlamingen leefde van liefdadigheid en steun. De Raad meende terecht dat de landbouw en nijverheid in Vlaanderen werden uitgebouwd en uitgebaat op basis van “vreemde behoeften” in plaats van wat de eigen bevolking wenste. De erbarmelijke toestanden droegen bij tot emigratie en grensarbeid. Het manifest bevat dan ook een impliciete veroordeling van arbeidsmigratie. De Raad van Vlaanderen formuleerde ook een aanklacht tegen het Belgisch bankwezen dat bepaalde investeringen in de eigen Vlaamse industrie weigerde en wreef de regering aan dat ze de Kempense steenkool in aanzienlijke mate in handen had gespeeld van “vreemde kapitalisten”.

De Raad van Vlaanderen die radicaal het separatisme bepleitte, beschouwde bestuurlijke scheiding dan ook uitdrukkelijk niet als de bekroning van de Vlaamse Beweging. Niet de taalstrijd maar wel de strijd om brood en voorspoed, de strijd tegen uitbuiting en kapitalistisch imperialisme was het richtbaken. Het manifest stelt letterlijk: “Maar het Vlaamsche volk zal slechts in aanzien winnen, als al de ekonomische faktoren van zijn land te zijnen voordeele uitgebaat worden.” Het lijkt wel of een Vlaamse James Connolly de pen vasthield. 

Aan het geschetste beeld wordt een economisch programma toegevoegd waarop de radicale Vlaamse beweging haar strijd ent. Dit programma, dat niet exhaustief een negental punten omvat, is duidelijk op een leest geschoeid die de Vlaming het eigen beheer over haar economie wil verzekeren en niet langer het internationale kapitaal ten gunste wil zijn: de ontwikkeling van industrie en kapitaal in Vlaanderen moet “op Vlaamschen grondslag” gebaseerd zijn en de uitbating ervan dient “in volksgezinden geest” te gebeuren.  Uitbouw van infrastructuur, handel en heropbouw van industrie (met eis tot teruggave van weggevoerde machines door Duitsland) moet met het oog op Vlaamse tewerkstellingspolitiek. De Raad eist voorts kwalitatief onderwijs in Vlaanderen, hogere lonen voor werknemers, betere huisvesting en betere bescherming van arbeiders met inbegrip van een vorm van sociale zekerheid via het invoeren van verzekeringsplicht met meer voordelen voor de werkende klasse.

Niet alleen komt de Raad ook op voor de kleine middenstanders, voor de aanzienlijke bevolkingsgroep van kleine boeren en pachters eist de Raad van Vlaanderen beteugeling van misbruik van eigendomsrecht, betere toegang tot landbouwkredieten, wettelijke regeling van het pacht- en huurstelsel voor hoeves en landerijen. De voorstellen wijzen op het streven naar een lotsverbetering voor wie de gronden bewerkt en uitbaat ten nadele van wie ze bezit. Het economisch programma bevatte zelfs visionaire voorstellen wat belastingen betreft: niet alleen een progressieve inkomensbelasting werd bepleit, maar zelfs de invoering van een “vermogensbelasting op volksgezinden voet”… 

Wat de Raad van Vlaanderen 103 jaar geleden deed, was dan ook niet zozeer een baanbrekende gebeurtenis. De onafhankelijkheid was immers een doodgeboren kind. Het belang ligt vooral in de motivatie die aan de basis ligt van dit radicale Vlaamse streven. Zelfs wanneer Vlaanderen ondertussen in de voorbije eeuw een verregaande industriële ontwikkeling met bijhorende welvaartstoename doormaakte betekent dit nog niet dat de sociaaleconomische strijd tegen wantoestanden waar de werkende klasse in het algemeen en de Vlaamse in het bijzonder slachtoffer van is, terzijde mag geschoven worden. Overigens is die industriële ontwikkeling ook geen eenparig succesverhaal, de negatieve kanten worden steevast onderbelicht.

Ruim 40 jaar neoliberale afbraakpolitiek brengt in sneltreinvaart wantoestanden terug die door de naoorlogse uitbouw van een welvaartstaat enigszins verdwenen of gemilderd werden. 15% van de Vlaamse bevolking leeft in armoede, de voedselbanken zien hun aanvragen stijgen, kinderarmoede stijgt, onderwijskwaliteit gaat achteruit,… De Vlaamse ontvoogdingsstrijd blijft ook ruim 100 jaar later het best nauw verbonden met strijd tegen sociaal onrecht en kapitalistische wantoestanden. Het feit dat op heel wat Vlaamse opritten blinkende SUV’s geparkeerd staan, verandert daar niets aan. De cijfers inzake diverse maatschappelijke evoluties liegen niet, terwijl de onafhankelijkheid nooit verder af was. Tijd om (opnieuw) het oude spoor te volgen…