Met Vlaanderen, zonder België

De creatie van de Belgische staat is onlosmakelijk verbonden met een ontwikkelingsfase in het kapitalisme tijdens de 19de eeuw. Zoals hieronder blijkt, is de Belgische revolutie van 1830 nooit het werk geweest van het gewone volk, het proletariaat of de Vlaamse boerenbevolking. Daarom een historische schets in het hiernavolgende stuk. Bijna twee eeuwen later bestaat België helaas nog steeds, en ook daar moet de belangrijkste reden gezocht worden in het kapitalisme: hoewel het Belgique-à-papa al aanzienlijk verzwakt is, blijven financiële groepen er belang bij hebben dat deze staatsconstructie overeind blijft. De aard van en samenstelling van machtsgroepen in die verwevenheid tussen de Belgische staat enerzijds en het georganiseerde kapitaal anderzijds is sterk gewijzigd.

Een kapitalistische natie is een contradictio in terminis. Het werkt zijn zelf-ontbinding in de geglobaliseerde wereld kapitalistische markt in de hand om uit te komen bij een administratief afgebakend territorium dat heerst over een bevolking. Voor ons is er een onoverbrugbare kloof tussen de existentiële belangen van een vrije gemeenschap enerzijds, en de voorwaarden die een kapitalistische economische ordening en haar burgerlijke elite stellen anderzijds. De kapitalistische natie verzaakt aan haar beschermende functie tegenover de bevolking en levert deze zonder beperking af aan het internationale kapitaal. De verwevenheid met het kapitaal raakt aan de essentie van de kunstmatige Belgische staat zelf. Het is dan ook onbegrijpelijk dat een aanzienlijk deel ter linkerzijde denkt dat zoiets als een socialistisch België mogelijk zou zijn. Een toelichting…

De historische achtergrond: burgerlijke Belgische revolutie

België was rond 1830 de overstap aan het maken van agrarisch land naar een jonge industriële natie. Naast de reeds aanwezige textielindustrie ontwikkelde zich een metallurgie en steenkoolnijverheid die van meet af aan in handen van het grootkapitaal terecht kwam. Vlaanderen was stevig in handen van adellijke en burgerlijke grootgrondbezitters. Een opkomende burgerij eiste, geruggensteund door de Franse Revolutie, haar plaats op. Dat was in onze contreien ten aanzien van het verlicht despotische regime van Willem I niet anders.

Deze achtergrond verklaart de drijvende krachten achter de Belgische revolutie van 1830: een burgerij die meer macht in een liberale staat nastreefde enerzijds en reactionairen die de industrialisering wilden afremmen om de politieke macht van de kerk en het grootgrondbezit veilig te stellen anderzijds. Gelet op de eerder tegengestelde belangen, lagen geen economische motieven aan de basis van de Belgische revolutie. De industriële en commerciële burgerij zou zelfs de dragende kracht vormen van het Orangisme die de eenheid met Nederland wou behouden. De Belgische revolutie van 1830 was dan ook bij uitstek een product van de middenklasse, een middenklasse die zich om zeer uiteenlopende redenen niet kon vinden in het bestaande politieke bestel. Het proletariaat en de boerenbevolking hadden hier niets mee te maken. Ambtenaren, handelaars, journalisten, kleine ondernemers, intellectuelen,… waren de meest strijdbare deelnemers aan het Belgische verzet tegen het autoritaire Willem I-bestuur. Vooral de kleine ondernemers die met lede ogen zagen hoe overheidsgeld massaal geïnvesteerd werd in de grote industrie, zouden de spreekwoordelijke munitie leveren aan de Belgische opstand van 1830. Zij werden daarin gesteund door de grondadel en de hogere geestelijkheid. Een Belgisch parlementair regime zou de kerkelijke hegemonie betere waarborgen bieden dan Willem I met zijn laïciserende onderwijspolitiek. Uit de samenloop van deze belangen groeide het zogenaamde “monsterverbond” tussen katholieken en liberalen.

Met de bevolkingsmassa van landarbeiders, pachters, proletariaat,… had dit zoals eerder gezegd niets van doen. De economische crisis van 1830 (mislukte oogsten, mechanisatie, prijsstijgingen,…) schiep echter een klimaat waarin paupers en een niet-klassebewuste ontevreden massa gemakkelijk voor de kar van het Belgisch nationalisme kon gespannen worden. Tezelfdertijd verwierven de burgerlijke Belgische nationalisten de controle over burgerwachten die sociaal oproer moesten neerslaan. Verzetscomités tegen het Nederlandse bestuur waren allemaal, zonder uitzondering, in handen van een intellectuele middenklasse.

Ook internationaal was het lot de Belgischgezinde burgerij goed gezind. Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden was ontstaan als buffer tegen Frankrijk en stond zwaar onder Britse invloed. De Belgische revolutie kreeg in Europa steun omdat Willem I de zaken niet op orde kreeg. Een onafhankelijk, neutraal België werd voor de Europese grootmachten beschouwd als beste vervangspeler in die bufferrol. Frankrijk steunde dan weer de Belgische revolutie actief, een invloed die tot op de dag van vandaag zou blijven. Voorts werd België door een aantal liberaal gezinde hoofdrolspelers op de Europese politieke bühne aanzien als nuttig in de ontwikkeling van het industrieel-financieel kapitalisme.

Historische achtergrond: de jonge Belgische staat op maat van de kapitalistische elite

De Belgische grondwet van 1831 werd een allesbehalve democratisch compromis tussen de wensen van de liberale middenklasse en de conservatieve elite (grondadel, clerus). Het cijnskiesstelsel van voor de revolutie werd vervangen door een systeem van rechtstreekse verkiezingen waarbij de belasting die moest betaald worden om te mogen stemmen, nog hoger lag dan voordien. De volksmassa had wel mogen bijdragen aan de Belgische burgerlijke revolutie, maar werd bedankt met het ontzeggen van elke politieke invloed. Naast het betalen van belasting was er nog een principe van “capacitair” stemrecht, waarbij enkel diegenen die verstandig genoeg geacht werden, enige politieke invloed konden verkrijgen: pastoors, universitair geschoolde vrije beroepen,… De Belgische politieke wereld vlak na het ontstaan van deze staat, werd gedomineerd door adellijke grootgrondbezitters en intellectuelen (vnl. in de rechten geschoold). Handelaars, burgerlijke grondbezitters en industriëlen hadden een beperktere macht. Het bedenkelijke principe dat eigendom bezitten een criterium moest zijn voor wie kon meewerken aan de opbouw van de Belgische staat, was bepalend. De cijns die werd gevraagd om te mogen stemmen was zo hoog dat het kiesrecht beperkt was tot ongeveer 1 op 100 inwoners. Tot daar politieke vrijheid in het jonge België… Persvrijheid bleef beperkt door een zware zegelbelasting die werd ingevoerd, waardoor het enkel van toepassing was voor wie voldoende vermogend was.

Aan de Belgische staat werd de functie van politionele waakhond toebedeeld: bewaken en beschermen van de belangen van de vermogende elite, de topklasse. De burgerij die als dragende kracht van de Belgische opstand gold, meende dat de samenleving gediend was met het bevorderen van het materiële eigenbelang. Deze burgerij streefde dan ook naar een recht op zelfbeschikking voor zichzelf, zowel op economisch als op politiek vlak. Zowel bij de conservatieven als bij de liberale burgerij was er de vrees dat de Belgische revolutie een andere wending kon nemen, richting een proletarische opstand. De jonge Belgische staat nam dan ook diverse maatregelen om elke poging tot volksdemocratie te fnuiken. Eén daarvan was het afwijzen van de republikeinse staatsvorm. Er werd, op aanraden van de Britse bankiersfamilie Rothschild, een compromisfiguur gevonden om tot koning gekroond te worden: Leopold van Saksen-Coburg. De adel was tevreden met een koning die hun privileges ondersteunde, de kapitalistische hogere burgerij was eveneens tevreden omwille van de relaties die Leopold had binnen de financiële wereld. Financiële steunpilaar van de Belgische staat werd de Société Générale, de maatschappij die door Willem I was opgericht om de industriële ontwikkeling van het zuiden te bevorderen. Via deze bank waarin Belgisch gezinden aan de top werden geplaatst, werden regeringsleiders in contact gebracht met de Rothschild bankiersfamilie. De Rothschilds stonden positief tegenover België wegens de financiële belangen: het verschaffen van staatsleningen. Toen Leopold I de gouverneur van de Société Générale wenste af te zetten, grepen de Franse koning Lodewijk Filips I en bankier Jakob Mayer Rothschild in, om de samenwerking toch te behouden. De Belgische staat kende bijgevolg geen financiële zorgen, maar de Rothschilds hadden controle verworven over de Belgische kredietsector.

De huidige situatie: België als machteloos vehikel van het internationale grootkapitaal

De historische schets maakte alvast duidelijk dat de Vlaamse werkende klasse bij de stichting van de Belgische staat niet veel goeds kon verwachten: een volksvijandige staat op maat van de kapitalistische elites. Dat is vandaag, ondanks de betrekkelijk hoge -maar afkalvende- welzijnsgraad bij de bevolking, niet anders. België heeft haar eigen zogenaamde “Power Elite”, een elite die een graad van macht bezit en die de topfuncties binnen het politieke en economische systeem bezet. Leden schuiven daarbinnen gemakkelijk door van de ene functie naar de andere. Met Etienne Davignon, lange tijd bestuurder van de eerder genoemde Société Générale, telt ze zelfs een oud voorzitter en gangmaker van de Bilderbergconferenties in haar rangen. Deze elite heeft er belang bij dat België niet alleen verder bestaat maar ook stabiliteit kent, ten dienste van “economische vooruitgang”. Het is een economische elite, een soort inner circle van machtige figuren die verbonden zijn in netwerken, en die een stevige invloed heeft op de Belgische politiek. Deze inner circle onderhoudt sterke relaties met de liberale en christendemocratische politieke families, in mindere mate ook met de sociaaldemocratische. De kleinburgerlijke Vlaams-nationalisten vallen hier volledig uit de boot. Economische macht wordt gebruikt om politieke invloed te verwerven en te vergroten. Dit gebeurt via lobbygroepen, privaat-publieke samenwerkingsverbanden, patronaatsorganisaties, besloten zakenclubs (Club van Lotharingen,…), enz.

De kleinburgerlijke Vlaams-nationalisten dachten en denken nog steeds dat zij een tegenelite kunnen creëren, zeker nu het Belgique-à-papa enigszins verzwakt is. Een schoolvoorbeeld daarvan is de opgang van de Warandegroep onder impuls van het conservatief-liberale N-VA. De toegang tot de Belgische salons gaat weliswaar open voor de toonaangevende Vlaamse politieke lakeien van de economische elite, maar de communautaire strijd moet er opgeborgen worden. Hetzelfde fenomeen zien we van zodra Vlaamse ondernemers hun activiteiten succesvol uitbouwen tot een niveau waarop ze met “de grote jongens” kunnen meespelen. Vanaf dan wordt het bedrijf en/of de ondernemer in kwestie opgeslokt in de Belgische elite: een adellijke titel, een extra benoeming, nieuwe deuren die opengaan… Wie niet plooit, wordt financieel-economisch vakkundig in de vernieling gereden.

We stellen vast dat die Belgische economische machtselite logischerwijs actief is in grote beursgenoteerde bedrijven (genre Umicore, Eandis, Belgacom, KBC, Solvay, Barco, Tessenderlo-groep,…) maar vooral in aanzienlijke mate wordt bepaald door de elite uit de energiesector en betrekkelijk weinig vanuit de bankwereld. Dit omdat de meeste banken hun hoofdzetels al in het buitenland hebben. Laat het nu vooral in de energiesector zijn dat er een sterke verwevenheid bestaat met Frans grootkapitaal (Engie-Electrabel, GDF-Suez, Total). Op vlak van energie zijn zowel Vlaanderen als Wallonië wingewesten voor het Belgisch-Franse grootkapitaal, waarbij de bevolking haar energie veel te duur betaalt. De plundering van rijkdom uit Wallonië en vooral uit het rijkere Vlaanderen, zorgt er voor dat hoewel België formeel een onafhankelijke staat is, het de facto een land is dat hoogstens een vazalstaat of satellietstaat kan zijn.

Zoals gezegd maken bankiers weinig deel uit van de Belgische economische elite om de eenvoudige reden dat ze grotendeels in buitenlandse handen zijn. Bijgevolg draagt dit in een kapitalistische omgeving bij aan de koloniale status van België. In de bankwereld wordt net als in de energiesector duidelijk dat rijkdom wegvloeit naar het buitenland, en dat dit buitenland erin slaagt om via haar macht ook haar wil op te dringen waardoor we geëxploiteerd worden als een kolonie. België is het enige land dat in de financiële crisis van 2008 zijn grootste bank, Fortis, niet in eigen handen hield maar tegen een veel te lage prijs verkocht aan een ander land, namelijk aan het Franse BNP Paribas. Dit voorbeeld typeert net als de saga rond Dexia-bank het wezen van de Belgische staatsconstructie als geen ander.

De staatkundige status quo van naoorlogs West-Europa

Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog zit België stevig geworteld in de Atlantische ordening en belangengemeenschap. Met haar politieke, economische en militaire banden over de Atlantische Oceaan is België verzekerd van steun vanuit deze wereld ter behoud van de status quo. Er kan opnieuw verwezen worden naar de sleutelrol die bijvoorbeeld –maar niet uitsluitend- de Bilderbergconferenties hierin spelen en waarin de Belgische economische en politieke elite meer dan thuis is. De machtscluster waarin de Belgische elite werd opgenomen zal geen socialistische omwenteling of volksnationale soevereiniteit in West-Europa dulden. Het kleinburgerlijk nationalisme in Vlaanderen dat probeert / denkt aansluiting te kunnen vinden binnen de bestaande internationale rechtsorde, faalt en zal blijven falen tenzij ze een kapitalistische elite vindt die haar belangen verdedigd ziet in het Vlaanderen dat zij vertegenwoordigen. De kans daartoe, is gezien de manier van omgaan van de Belgische machtselite met elke opkomende Vlaamse elite, bijzonder klein. Succes blijft beperkt tot periodieke electorale overwinningen, waarna telkens ontgoocheling en jaren van stilstand volgen. Maar zelfs indien dit alsnog zou slagen, zou dit niets meer betekenen dan wat vlaggen die vervangen worden op een aantal bestuursgebouwen. Meer dan wat symboliek zal dit gebrek aan volkssoevereiniteit niet zijn.

Conclusie

Met de Zannekinbond komen wij op voor een onafhankelijke Vlaamse republiek. Dit streven is echter niet gebaseerd op kleinburgerlijke culturele romantiek, op materieel egoïsme of extreemrechts identitair dwalen. Wallonië is onze buurnatie waar we de beste verstandhouding mee wensen. Dit kan niet binnen het Belgisch kader. Voor ons moet de Belgische staatsconstructie verdwijnen omdat zij onlosmakelijk verbonden is met de kapitalistische, Westers-Atlantische ordening en gebaseerd is op financieel gewin van belanghebbende Frans-Belgische kapitaalsgroepen. Iets waar ook Vlamingen aan meewerken. Bespaar ons het geweeklaag over die “linkse, luie Walen”. Liever de pijlen richten op de echte vijand, het grootkapitaal en haar politieke vertegenwoordigers in voornamelijk de liberale en christendemocratische maar ook andere politieke families die de Belgische staat uit winstbejag en private belangenbehartiging in stand houden.

Tegenwoordig is de natie één van de laatst overgebleven bolwerken tegen de kapitalistische wereldwijde barbarij en voor het behoud van democratische soevereniteit. Deze taak kan echter alleen door de natie worden vervuld in een socialistische vorm van organisatie, opgevat als een politieke beslissing van de nationale gemeenschap die haar lot vrij en onafhankelijk volgens haar eigen manier in handen neemt. Dat neemt niet weg dat wij ten volle beseffen dat de 19de of zelfs 20ste eeuwse betekenis van een natie achterhaald is. Vlaanderen is uiteraard geen eiland en moet wat ons betreft gezien worden in een groter Europees socialistisch geheel. Deze Europese opdracht mag geenszins verward worden met de huidige Europese Unie die -net als de Belgische staatsconstructie- een financieel-economische belangengemeenschap is. De EU faciliteert kapitalistische mondialisering en ontzegt ons nationale grenzen tegen het internationale kapitaal. De socialistische natie is het tegenmodel voor de kapitalistische globalisering en maakt deel uit van een Europese continentale gemeenschap die reikt van Dublin tot Vladivostok.

De beperkte ruimte biedt de mogelijkheid tot betekenisvolle sociale oplossingen door middel van beheersbaarheid, nabijheid en respect voor de verschillen binnen een land en tussen mensen. Sociale rechtvaardigheid is niet mogelijk in de kapitalistische anarchie van een wereldwijde grenzeloze massa. Alleen de kleinere, democratisch beheersbare natie, ingebakerd in een welbegrepen Europese grootruimte, schept de voorwaarden voor een goed functionerende orde van een sociale gemeenschap. De strijd om de realisatie van de socialistische natie als een tegenmodel voor de kapitalistische globalisering is een onvermijdelijk proces op de lange termijn. Door de barbarij van deze globalisering, die alle volkeren van de wereld probeert te ontwortelen en te ontheiligen, heeft dit proces een nieuwe boost gekregen. Hierin ligt dan ook onze internationale solidariteit vervat met alle volkeren, staten en groepen die strijden voor volkssoevereiniteit en tegen kolonialisme en imperialisme. Voor een socialisme in de kleuren van de volkeren.