Is de arbeidersbeweging gediend met “progressieve” identiteitspolitiek?

Het primaat van de klassenstrijd

Voor een krachtige arbeidersbeweging moet er een beleid voor werknemers zijn en dus moet de arbeidersklasse centraal staan in de ideologie die het beleid kenmerkt. De nationale politiek kan niet opkomen voor de belangen van sociale groepen die de nationale en klassengrenzen overschrijden, zoals de zogenaamde “volksgemeenschap” van de rechtse nationalisten die de facto neerkomt op een romantisch bijgeloof dat er geen klassentegenstellingen bestaan binnen hun “volksgemeenschap”. Men gelooft dat Vlaamse of Belgische kapitalisten aan dezelfde kant staan en dit met dezelfde belangen als de werkende klasse, alleen in de rol van samenstellende delen van dezelfde natie…

Nee, de Vlaamse werkende klasse is de basis van de Vlaamse natie(-wording). De kapitalist, ook al presenteert hij zichzelf als Vlaamsgezind, is ook de globalist die zonder aarzelen dat buitenland trouw is waar zijn geld het meeste opbrengt en de minste sociale lasten moet betalen. We kunnen nooit dezelfde belangen hebben als de klasse die de meerderheid van de Vlamingen haar rijkdom afroomt en de eigen financiële belangen laat primeren op de nationale, Vlaamse.

Noch kan wat de Zannekinbond betreft, iemand worden verleid naar liberale identiteitspolitiek en een bijhorend, fout begrepen feminisme. Feminisme dat, in plaats van klassenstrijd voorop te stellen, mannen tegen vrouwen plaatst, of het “patriarchaat” tegen vrouwen. Deze liberale feministen die een dergelijke mannenhaat verspreiden (vaak dan nog racistisch gericht tegen de “oudere blanke” mannen), willen vrouwen in alle lagen van de bevolking hun krachten laten bundelen als een vermeende onderdrukte groep om samen met burgerlijke vrouwen ook de mannen uit de arbeidersklasse als hun tegenstander voor te stellen. Zelfverklaarde ideologen van de alt-right reageren met machismo en misogynie, waarbij “mannelijkheid” synoniem wordt gesteld met vrouwonvriendelijkheid, kapitalistisch ondernemerschap en prestatiedrang, en een asymmetrische voorkeur voor testosteron en lichaamscultuur die paradoxaal genoeg –en in weerwil van het gepropageerde waardenpatroon- ook niet zomaar onder de noemer van heteronormativiteit kan worden ondergebracht.

Zijn er dan geen onrechtvaardigheden in de samenleving tegen vrouwen? Natuurlijk wel! Maar het is in de rol van vrouw uit de werkende klasse dat deze strijd moet worden gevoerd, samen met de mannen uit die werkende klasse als een gemeenschappelijk, klassegebonden belang. Gelijke beloning voor gelijk werk, zowel vrouw als man, is een eis en een gegeven vereiste voor de werkende klasse als eenheid, geen specifieke eis van vrouwen. Hogere lonen voor de traditioneel door vrouwen gedomineerde beroepen zijn ook een redelijke eis van de arbeidersklasse als geheel, niet voor vrouwen als een individuele groep.

Liberale identiteitspolitiek en bijhorend feminisme verdelen de arbeidersklasse tussen vrouwen en mannen, alsof we tegenstanders zijn met verschillende belangen omwille van het biologische gegeven “geslacht”. Dit leidt niet tot succes en zeker niet tot de verenigde strijd die we nodig hebben. De arbeidersvrouw heeft ook weinig tot niets gemeen met de burgerlijke vrouw. Vechten voor meer vrouwen in een kapitalistische machtspositie is niet hetgeen de werkende vrouw begunstigt, net zoals het de mannelijke arbeider niet bevoordeelt met meer mannen in een machtspositie.

Evenmin kan een sociale beweging bij de Pride-beweging worden betrokken. Natuurlijk komt hier de kritiek dat er ook –geheel conform de realiteit- homoseksuelen tot de werkende klasse behoren. Maar of het nu een man of een vrouw is en ongeacht seksuele geaardheid, deze moeten worden gezien in hun rol als deel van het salariaat, van de werkende klasse. Hun rechten in de samenleving en op de werkplek zijn net dezelfde als al wie tot die werkende klasse behoort. Een nationaalrevolutionaire en socialistische beweging zou nooit de kwestie van “LGBT-identiteit” moeten aanpakken. Het zou gewoonweg geen probleem mogen of moeten zijn. Het gaat om een identiteit die de nationale en de klassengrenzen overstijgt, en de Pride-beweging portretteert daarbij mensen als een specifieke groep op basis van seksuele geaardheid met de illusie dat de homoseksuele arbeid(st)er gemeenschappelijke belangen heeft met de homoseksuele kapitalist(e). Natuurlijk mag er op de werkplek geen discriminatie plaatsvinden op basis van seksuele geaardheid van mensen. Maar het moet een arbeidsvereiste zijn.

Het identiteitsbeleid is interpolitiek en zoekt samenwerking over nationale en klassengrenzen heen. Het wil banden creëren met (delen van) de hogere klasse via belangen en eisen die natuurlijke sociale eisen zijn. Maar, deze progressieve identiteitspolitiek dient bijgevolg de belangen van het kapitaal omdat het klassenstrijd en eenheid binnen de werkende klasse ondermijnt. Wat we volgens de Zannekinbond allemaal gemeen hebben, is dat we een Vlaamse werkende klasse zijn. Man en vrouw, ongeacht seksuele geaardheid, we zijn Vlamingen en behoren tot de werkende klasse. En het is in deze rol dat we gemeenschappelijke belangen hebben die als basis moet dienen om eenheid en samenhang op te bouwen alsook inhoud te geven aan de Vlaamse natie(-wording). De progressieve, liberale identiteitspolitiek heeft in de voorbije jaren bijgedragen aan de vervreemding van een groot deel van het salariaat ten aanzien van de zichzelf “socialistisch” noemende beweging. In een tijd waarin een neoconservatief, liberaal rechts electoraal succesvol rekruteert via een sociale make-up, kunnen we dit missen als kiespijn.

Pro Familia

Nieuwe campagnes voor vrouwenrechten – voor gelijkheid in de wet, voor meer betaalbare kinderopvang, … – moeten ook steun aan de campagne voor uitbreiding van het vaderschapsverlof omvatten. Het zou bij feminisme immers moeten gaan om het creëren van een betere samenleving, waarin personen – en ouders en verzorgers – op hun eigen merites worden beoordeeld, niet op basis van geslacht of culturele veronderstellingen. In die zin moet wet- en regelgeving omtrent het gezin ook de rechten én plichten van vaders meer gaan benadrukken. Feministen moeten de familie terug veroveren. Het is vanuit ons, socialistisch oogpunt belangrijk om het belang van familie en gezin te benadrukken ten aanzien van het liberaal individualisme en de valse vrijheid die hiermee verbonden is.

Alleenstaanden zijn zoals uit diverse studies blijkt, sneller vatbaar voor het afglijden in armoede en vereenzaming. De rol van vaders wordt vaak genegeerd in een bredere publieke discussie. In een gemiddeld debat over opvoeding of over gezinnen ligt de nadruk steevast op de moeders. Meestal zijn het “eenoudergezinnen” of “alleenstaande moeders” die de schuld krijgen van hoge percentages spijbelen of jeugddelinquentie. Een dergelijke afkeuring kan misschien beter gericht zijn op de afwezige ouder. De positie van het gezin en de bijhorende stabiliteit voor de werkende klasse wordt vooral bedreigd door een individualisering die leidt tot kortstondige, vluchtige menselijke relaties die vaak gepaard gaan met promiscuïteit. Dit past misschien in het waardenpatroon van de nieuwe liberale stedelijke elite maar zeker niet in dat van het salariaat, de arbeidersklasse.

De voormalige Britse premier David Cameron (horresco referens) betoogde jaren geleden dat vaders die hun gezin in de steek laten in feite dezelfde sociale afkeuring verdienen als dronken autobestuurders. Het is steeds opletten geblazen wanneer burgerlijke politici een kruistocht in moraliteit starten, maar onverantwoord ouderschap verdient terecht meer kritiek. Cameron benadrukte de vitale rol van verantwoordelijke vaders tegen ontwrichting van gezinnen. Een socialistische, ja zelfs feministische strategie die op dezelfde manier het belang van verantwoordelijk vaderschap benadrukt, zou de veranderende realiteit erkennen dat vaders de zorg voor hun kinderen in toenemende mate gelijk delen met de moeders. Dit zou kunnen helpen om het debat over het belang van gezinnen opnieuw te definiëren. Het zou ook kunnen bijdragen aan het oplossen van de vervelende, door de media veroorzaakte strijd tussen zogenaamde “werkende moeders” en “thuisblijvende moeders”. Lange tijd heeft ook de revolutionaire socialistische beweging de vorming van gezinnen bekritiseerd als zou het de samenstellende leden weerhouden van revolutionaire actie. Dit is ondertussen door de geschiedenis achterhaald en naar de prullenmand verwezen.

“Ik heb geleerd dat een vrouw een vechter kan zijn, een vrijheidsstrijder, een politieke activist, en dat ze verliefd kan worden, en geliefd kan zijn, ze kan getrouwd zijn, kinderen krijgen, een moeder zijn… Revolutie moet ook het leven betekenen; elk aspect van het leven.” Leila Khaled

Traditioneel was het de moeder die het werk opgaf of deeltijds ging werken bij de geboorte van een kind en de culturele veronderstelling was ook dat zij dat zou doen en niet de vader. Zelfs na tientallen jaren van wetgeving inzake het wegwerken van het zogenaamde glazen plafond en gelijke verloning, betekende het grote verschil in verloning tussen mannen en vrouwen dat het meestal meer kostte voor een vader om te stoppen met werken. Dus terwijl moeders er vaak toch voor kozen om dat te doen, betekende dit dat het voor een vader moeilijker zou zijn geweest om de hoofdverzorger te worden. In het begin van de 21ste eeuw is dit veranderd, deels door de economische recessie. In veel gezinnen zal in de toekomst een vader wiens werk is ingekrompen de hoofdverzorger worden.

Er is terecht lang campagne gevoerd om moeders en vaders meer keuzevrijheid te geven bij het combineren van werk en gezinsleven. Deze keuzes zouden ongetwijfeld gemakkelijker zijn als vaders een nog betere wettelijke erkenning op de werkplek zouden krijgen en ook het debat over verdere arbeidsduurvermindering geopend wordt. Het wordt tijd dat we het valse debat over “werken versus thuisblijvende moeders” achter ons laten en eerlijk beginnen te praten over de beste manier om juridische ondersteuning te bieden aan degenen die ouderschap en betaald werk combineren – en niet alleen aan moeders. Dit om het werk van “verzorgers” thuis – mannen en vrouwen – te erkennen. Dat zou echt pro-familie en gezin zijn, ook al zullen opnieuw een aantal heilige huisjes van de neoliberale wanorde en de bijhorende progressieve identiteitspolitiek in vraag gesteld moeten worden.