Het einde van het Amerikaanse rijk?

Het Amerikaanse centrum breekt

Dertig jaar na de overwinning van de westerse wereld in de Koude Oorlog, komt er stilaan een einde aan haar hegemonie met de geleidelijke implosie van haar centrum: de Verenigde Staten van Amerika. Amerika is namelijk een wereldmacht in verval. De neergaande trend werd ingezet vanaf 2008, toen de accumulatie van rommelkredieten zorgde voor een ineenstorting van de Amerikaanse huizenmarkt en een daaropvolgende crash van het mondiale financiële systeem. Sindsdien staat de positie van de VS als centrum van de Westerse wereld de facto fundamenteel ter discussie, en dit niet alleen op ethische maar ook op realpolitische gronden. Ongeveer twee decennia lang werd het neoliberalisme, met Amerika als feitelijk distributiecentrum, als de finaliteit van de geschiedenis voorgesteld. Dit systeem bleek nu verre van onfeilbaar, wat zorgde voor onherstelbare imagoschade en wereldwijde chaos. Tegelijk namen de sociale ongelijkheid en tegenstellingen in de wereld toe, en werden die contrasten in de eerste plaats schrijnender in het rijkste land ter wereld, namelijk de Verenigde Staten zelf. De Occupy-beweging die hier een reactie creëerde een kortstondig intellectueel en activistisch momentum tegen het neoliberalisme, maar zou tevens de zwanenzang vormen van wat overbleef van wat kan worden omschreven als authentiek, anti-systemisch links in het Westen. De komende generatie zou zich wijden aan identiteitspolitiek, (sub)culturele onderwerpen, eeuwigdurende pubertijd en petit bourgeois-tijdverdrijf. Ondertussen werden de militaire overwinningen van het Amerikaanse militair-industrieel complex schaarser. In 2011 slaagden haar Europese proxies er voor de laatste keer met succes in om een klassieke regime change tot stand te brengen door het omverwerpen van Muammar Muhammed Khaddafi in Libië. Daaropvolgende pogingen mislukten of leidden op zijn minst tot onverwachte en ongunstig uitpakkende kettingreacties zoals in Syrië, Venezuela, Oekraïne, Hong Kong, Libanon, Wit-Rusland en Jemen. Het zwaartepunt van de wereld verschoof langzaam naar het oosten. Na de explosieve economische groei van de BRIC’s in het eerste decennium van de nieuwe eeuw, volgde de opkomst van China, Rusland, Indië, Iran en Turkije als regionale politieke en militaire grootmachten tussen 2010 en 2020. Tegen 2025 zullen de Verenigde Staten ingehaald worden als grootste economie ter wereld door China. De Europese landen zullen tegen die tijd worden overvleugeld door Rusland en Indië alsook een aantal andere Aziatische landen.

De financiële crisis van 2008 bleek dus het begin van een langzame implosie van het Amerikaanse wereldsysteem, die nu tot een culminatiepunt komt met interne culturele tegenstellingen en de diepgaande erosie van de politieke en economische soft power. Die implosie impliceert dat de wereldverhoudingen, zoals die in de post-1989-constellatie tot stand waren gekomen, aan een grondige herziening toe zijn. Terwijl Europa gebukt gaat onder een tweede golf van Covid-19, krijgen de Amerikaanse presidentsverkiezingen, ondanks het feit dat de uitslag van de vorige verkiezingen vier jaar lang niet uit de westerse media was weg te slaan, opvallend weinig aandacht. Stilaan lijkt het besef door te dringen, dat de keuze tussen de democratische en republikeinse presidentskandidaten eigenlijk geen echte keuze is. Er is maar één Amerika, één Amerikaans systeem en één Amerikaanse ideologie. Doordat de race daarenboven, ondanks de vooropgestelde culturele agenda van de elites, toch tussen twee “oude witte mannen” verloopt, zorgt ervoor dat ook een kosmetisch verschil tussen de gewraakte “nationalistische” Trump en één of andere gedoofdverfde en zogenaamd ontologisch verschillende “minderheid” (vrouw, zwarte, LGTBQ, … of een combinatie van verschillende subidentiteiten) dit simpele feit niet kan verhullen. En met de tweede en definitieve uitschakeling van Bernie Sanders komt ook de illusie te vervallen dat de VS ooit ook maar enige stap in de richting van het socialisme zullen zetten. Ook al gaat het in het geval van het veel geroemde democratic socialism om een variant die nog mijlenver rechts van de neoliberale bocht, die de Europese sociaaldemocratische partijen in de jaren ’90 hebben ingezet, te situeren valt. Of om het met de woorden van Tanzaniaanse socialistische en nationalistische president mwalimu Julius Nyerere te zeggen: ”Ook de Verenigde Staten zijn een éénpartijstaat, alleen hebben zij er – met een vorm van typische Amerikaanse decadentie – twee van.” In Amerika, en bij uitbreiding het westen, is ‘links’ dan ook vooral een vorm van zelfbegoocheling van de bourgeoisie, van het aanmeten van individuele identiteiten, van laatkapitalisme en hyperliberalisme – niet van sociale revolutie en het wezenlijk omgooien van het kapitalistische systeem.

Recent onderzoek heeft uitgewezen dat Europeanen zich steeds minder aangetrokken voelen tot Amerika. That shiny house on the hill van Ronald Reagan heeft zijn glans definitief verloren. De belofte van Donald Trump bestond erin om het Reaganesque Amerika great again te maken. In werkelijkheid heeft het land met het tweede grootste kernwapenarsenaal ter wereld zichzelf alleen maar belachelijk gemaakt met haar diplomatieke stunteligheid, haar internationaal amateurisme en verscheurde culturele uitstraling, die heden ten dage meer op een schadelijke vorm van instraling is gaan lijken. Soms lag dat aan Trump, maar meestal was het gewoon onvermijdelijk het product van de toestand waarin de Verenigde Staten zich bevinden. Anno 2020 staat de wankelende supermacht mogelijk op de rand van een burgeroorlog omdat etnische spanningen die in het land reeds sudderen sinds de jaren ’60 zich vermengd hebben met liberale identiteitspolitiek en het verlies van exceptionalistische privileges voor de Amerikaanse werkende klasse op grond van haar nationaliteit, naarmate de Amerikaanse way of life steeds meer is overgegaan in een geglobaliseerd beschavingsideaal, waarbij dit exceptionalisme werd losgekoppeld van nationaliteit en overgedragen op klasse: de zogenaamde “winnaars” en “verliezers” van de globalisering.

Sinds de jaren ’90 is het Amerikaanse systeem in toenemende mate gaan samenvallen met het wereldsysteem. De uitdager hiervan, een economische alternatief bestaande uit het socialisme in de vorm van een voorbereidend staatskapitalisme op weg naar het communisme, kwam te vervallen. De Verenigde Naties metamorfeerden van een overlegorgaan tussen verschillende naties en machtsblokken tot een supranationale entiteit waarbinnen het nieuwe wereldsysteem binnen een toenemend legalistisch kader werd vastgelegd. Grote vrijhandelszones zoals de Europese Unie fungeerden als tijdelijke grootruimtes om naar steeds grotere entiteiten toe te evolueren, naarmate de rest van de wereld zich ook verder op het pad van het alomvattende neoliberalisme, globalisme en financieel-virtueel kapitalisme begeeft. Het militaire instrument van de Amerikaanse macht, de NATO, staat nog steeds overeind maar wordt door de VS zelf onder druk gezet. Uiteraard gaat het hier om een verouderde alliantie uit een bipolair verleden, die haar bestaansrecht deels ontleent aan de illusie dat die bipolaire wereld in een of andere gefossiliseerde vorm blijft voortbestaan. De voornaamste reden dat de peperdure Atlantische Verdragsorganisatie in de eenentwintigste eeuw in stand werd gehouden betrof niet een zogenaamde war on terror tegen wat arme geitenhoeders gewapend met kalashnikovs in Afghanistan, maar de mogelijkheid om deze uit te breiden in oostelijke richting, tegen alle afspraken die hierover werden gemaakt met de Sovjet-Unie aan het eind van de Koude Oorlog in. Het militair-industrieel complex dat hieraan ten grondslag ligt, wordt in toenemende mate geconcentreerd en geprivatiseerd in de handen van non-gouvernementele instanties. Zo wordt het mogelijk dat soldaten van over heel de wereld worden uitgerust met wapens en uniformen waarbij enkel nog de emblemen en insignes wezenlijk van elkaar verschillen – op het slagveld nauwelijks nog van elkaar te onderscheiden. Heden ten dage wordt dit militair-industrieel complex een vuist van het westerse globalisme tegen alle opkomende concurrenten, maar de financiële last van deze ijzeren handschoen wordt nagenoeg uitsluitend door de VS gedragen. In een wereld waarin de nationale belangen van Amerika in toenemende mate zijn overgegaan op internationale klassenbelangen, valt dit aan een toenemend gedeelte van de armere Amerikaanse kiezers in de slums van de rust belt moeilijk uit te leggen. Het tijdperk waarin neocons zonder veel moeite het buitenlandse, imperialistische beleid van de Verenigde Staten konden uitleggen als zelfverdediging, is duidelijk voorbij. Daarom stelde Trump het voortbestaan van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie een paar keer principieel ter discussie, al valt te betwijfelen dat een dergelijke stap ooit ernstig werd overwogen. Trump heeft de Amerikaanse presidentsverkiezingen in belangrijke mate gewonnen dankzij de Amerikaanse arbeidersklasse. Hierbij heeft hij vooral beloofd om binnen het bestaande wereldsysteem, waarvan Amerika lange tijd het centrum heeft gevormd, opnieuw sterker de nationale kaart te gaan trekken, omdat de krachten die het zelf in werking heeft gezet dit centrum nu dreigen te verscheuren. Dat liberaal ‘links’ hierover moord en brand schreeuwt -datzelfde ‘links’ dat zich beroept op een traditie van pacifisme en protesten tegen de Vietnamoorlog in de jaren ’60 en de installatie van kernwapens op het Europese continent in de jaren ‘80- spreekt boekdelen over de verschoven invalshoek en het explicieter worden van haar illusoire karakter.

Het einde van de Pax Americana en de globalisering van de homo americanus

De unipolaire wereldorde werd in eerste instantie, vanaf de val van de Sovjet-Unie en de eerste Irak-oorlog in 1991 tot aan de financiële crisis van 2008, in belangrijke mate bepaald door de dominante rol van de Verenigde Staten, waarin nationale belangen van laatstgenoemde nog in belangrijke mate vervlochten werden met deze van de transnationale financieel-economische elites. De Verenigde Staten werden de “politieman van de wereld”, waarbij niet alleen de gepriviligieerden wiens eigendommen bewaakt werden door deze internationale veilligheidsdienst profiteerden van haar bescherming, maar ook de bevolking van dit werelddeel, die aan haar gebonden was door haar geografie en tot na te volgen voorbeeld diende voor de wereldgemeenschap in termen van economische welvaart, ondernemerszin, arbeidsethos en culturele manierismen. Na de financiële crisis van 2008 kwam de nadruk in toenemende mate te liggen op de globaliserende rol van het westen, terwijl de nationale belangen van de Amerikaanse staat steeds meer op de achtergrond raakten en een groot deel van de Amerikaanse bevolking, voor wie de vruchten van het neoliberale systeem toch al karig waren gebleken, van haar eigen regering vervreemd raakte. Opvallend hierbij is de neergang van de Amerikaanse nationale cultuur als leitkultur voor de wereld. In een virtueel verbonden wereld zonder ruimte, zonder geografie, zonder plaatsbesef, met enkel onderling geconnecteerde individuen in een onbegrensde cyberspace, dient de Amerikaanse cultuur ontdaan worden van haar inherent nationale of geografisch gebonden elementen, zonder evenwel op te houden een lichtend voorbeeld te worden voor de rest van de wereld. Op die manier kan de Angelsaksische handelsesprit (liberalisme, handelskapitalisme, decadentie) haar tentakels blijven uitspreiden over de rest van de wereld, maar nu definitief ontdaan van het nationale element, of dat nu Brits of Amerikaans is. Het eindstadium is éénzelfde homo economicus, die samenvalt met de homo americanus, van Kaapstad tot Spitsbergen en van Tokio tot Buenos Aires.

Door de introductie van de massacultuur, die werd gedragen door de Amerikaanse entertainmentindustrie en vanaf de jaren ’20 de bourgeoisie en vanaf de jaren ’50 ook de arbeidersklasse geheel impregneerde, is de Amerikaanse massapsychologie en sociale structuur een cultureel stratum gaan vormen bovenop het nationale substraat, eerst in West-Europa en dan geleidelijk aan ook in andere delen van de wereld. Niet alleen film en muziek, ook mode, klederdracht en geleidelijk ook taal ondergingen de homogeniserende invloed van het Amerikanisme. Bovenop het militaire en economische overwicht van de Verenigde Staten, die het resultaat waren van de enorme economische dynamiek die op gang was gekomen als gevolg van de Eerste en Tweede Wereldoorlog, kwam nu ook de culturele soft power met de introductie van de cinema uit Hollywood en de rock ‘n’ roll uit de zuidelijke staten. Daar bovenop kwam de digitale revolutie vanaf de jaren ’80. Hoewel de Sovjets het internet hadden uitgevonden, aarzelden ze -wellicht niet geheel zonder reden- om dit netwerk in de praktijk te brengen. Het centrum van de virtualisering van de wereld kwam vervolgens in Silicon Valley te liggen, en daar ligt het in principe nog altijd – al is het maar zeer de vraag hoe lang dit nog zal duren. Dit feit verklaart niettemin tot op heden de nog steeds accelererende export van interne Amerikaanse thema’s en problemen naar de rest van de wereld, wat bij uitstek werd geilllustreerd door de Black Lives Matter-beweging en de “woke”-revolutie die volgde op de dood van de zwarte Amerikaan George Floyd, als gevolg van het excessief gebruik van politiegeweld bij een arrestatie in Minneapolis op 25 mei 2020. Dat uitgerekend de economische en culturele elites overal de drijvende kracht vormden achter het verspreiden van deze thematiek, vormt bij uitstek de illustratie hoezeer de homo americanus niet langer een geografisch gegeven is en ook niet een louter cultureel verschijnsel, maar in de eerste plaats ook een internationaal klasseverschijnsel.

De woke-revolutie

De Black Lives Matters-onlusten kenden een hevige opflakkering in de zomer van 2020, die in het grootste deel van de wereld in tijd en ruimte vrij beperkt bleef, maar in de Verenigde Staten structureel is gebleken tot op heden. Met “diversiteit” en “culturele ongelijkheid” als drijfveer, stelden ze “het einde van het witte privilege” en de dominantie van de “witte man” in het vooruitzicht, daarmee ook de fundamentele antropologie van het Westerse wereldbeeld ten gronde in vraag stellend. Deze revolutie had niets minder dan de ambitie om zich qua impact te meten met de Franse, de Russische en Haïtiaanse revolutie -althans volgens haar protagonisten- en waaide over naar de rest van de wereld, waar de populaire impact echter zeer beperkt bleef. In Europese landen met een inherent thalassocratische traditie bleven ze wat langer hangen, protestantse landen bleken ook wat gevoeliger voor het eschatologische en religieuze aspect van “woke” verlossingscultus dan katholieke. Enkele Britse standbeelden sneuvelden, vele anderen werden tijdelijk gevandaliseerd tot de publieke opinie zich uiteindelijk definitief tegen het fenomeen keerde nadat cancel culture het ironisch genoeg had aangedurfd om een aantal al te diep in het collectieve bewustzijn gegrifte werkstukken van de historische Angelsaksische entertainmentindustrie (vooral komedieprogramma’s) fundamenteel in vraag te stellen – daarmee de prioriteiten van het door consumptie murw geslagen westerse publiek meteen pijnlijk blootleggend. Politici, reclame-experts, radio-DJ’s, muzikanten, soapacteurs, museumdirecteurs en abstracte kunstenaars zonder daadwerkelijk talent bleven er uiteindelijk nog het langst over bezig. Big tech en internetbedrijven zoals Twitter, Facebook en Bol.com bleven de discussie uiteindelijk echter actueel te houden door het privatiseren van de censuur en de commerciële wijze waarop door de multinationals culturele omerta’s werden geïntroduceerd, indien nodig manu militari.

Ook in Europa stelde de “woke” revolutie de fundamenten van de Westerse mythologie en antropologie in vraag

In de Verenigde Staten was Black Lives Matter echter niks anders dan een nieuwe episode in de culture wars die zich reeds decennia lang aan het ophopen waren in de onderbuik van de Amerikaanse samenleving. De bron die deze riool voedt vormt een doorgedreven vorm van gedegenereerd postmodernisme, een intellectueel verwaterde versie van de Frankfurter Schule, Hannah Arendt en Foucault. Deze cultuuroorlogen stralen uit naar de rest van de wereld, en zeker naar Europa, maar nemen in de Verenigde Staten een meer fundamentele en destabiliserende vorm aan. Anders dan de rassenrellen uit de tweede helft van de twintigste eeuw werden ze nu gekenmerkt door een opvallende graad van participatie vanuit de blanke gegoede middenklasse en een onvoorwaardelijke ondersteuning vanuit de entertainmentindustrie, de grote multinationals en het big tech-apparaat in Silicon Valley. Hoewel de Amerikaanse woke-revolutie in de eerste plaats geïnterpreteerd wordt als een klassiek geval van wat de Engelse conservatieve filosoof Roger Scruton (en een hoop minder getalenteerde epigonen na hem) bestempeld heeft als “oikofobie”, is er wel degelijk meer aan de hand met de pseudo-revolutionaire culturele zelfontkenning door de Amerikaanse gegoede klasse. De culturele koppensnellerij van de cancel culture heeft verstrekkende gevolgen, met kafkaiaanse absurditeit tot gevolg. Zo werd een academicus op non-actief gezet omdat hij in een cursus Mandarijns het Chinese stopwoordje “nà ge” of 那个 had gebruikt (wat klinkt als “nega” maar qua betekenis volkomen ongerelateerd aan de Pavloviaanse associaties die deze klanken oproepen bij bepaalde Amerikaanse massa’s) en werd een Amerikaanse topgeneraal uit zijn functie ontzet nadat hij soldaten had berispt op het gebruik van het woord “nigga” maar het hierbij zelf in de mond had genomen. Uiteraard kan men maar hopen dat het Amerikaanse leger zich middels een opeenhoping van dergelijke absurde incidenten versneld terug gaat trekken uit Europa. Hoewel een dergelijk scenario natuurlijk onwaarschijnlijk lijkt, dient wel te worden aangemerkt dat het streven naar puriteinse zuiverheid in de leer van het nieuwe ultraliberalisme stilaan vergelijkbare niveaus heeft bereikt als tijdens het hoogstalinisme in de jaren ’30, ook wanneer dit ten koste gaat van talent. Daar – maar enkel daar – hebben de aanhangers van de theorie van het cultuurmarxisme een punt wanneer ze de nodige parallellen menen te kunnen ontwaren.

De vraag is maar al te zeer of Amerika zichzelf ook effectief afschaft door koloniale standbeelden, zuidelijke oorlogshelden en thanksgiving af te schaffen. Een krantenartikel in The Los Angeles Times pleitte er zelfs voor om het spuuglelijke “Star-Spangled Banner” te vervangen door het nummer “Lean on Me” van de soulzanger Bill Withers. Erger dan het bestaande Amerikaanse volkslied kan natuurlijk niet, maar opvallend genoeg luidde het pleidooi dat dit nummer uit de jaren ’70 weliswaar geen enkele referentie bevatte naar Amerika, maar dat er weinig liederen zo Amerikaans waren als dit nummer. En wellicht ligt daarin de essentie van de culturele transformatie die Amerika heden ten dage ondergaat. Een Amerika dat zichzelf ontkent wordt er daarom per definitie niet minder Amerikaans op. De vanouds oversekste Amerikaanse entertainment-industrie wordt seksualiteit een nieuw taboe (na de seksuele revoluties van de jaren ’50 en ’60) juist omdat ze zo alomtegenwoordig is en ieder aspect ervan doordringt, waardoor hypersensitieve identiteitskwesties spanningen oproepen die het arsenaal aan representatievormen intern doet blokkeren. Een muziekindustrie die berust op recyclage van hoogtepunten uit haar eigen verleden en een scheldproza dat wel door de artiesten maar niet door haar aanhang in de mond mag worden genomen (grotendeels bestaande jonge “witte mannen” aan wie het gebruik van dergelijke schuttingtaal principieel wordt ontzegd) creëert een toestand van eeuwig slachtofferschap voor de economisch geprivilegieerden, die de arbeidersklasse tot het einde der tijden veroordelen tot het afkopen van haar historische erfschuld door middel van consumptie van haar producten. Een Amerika zonder geschiedenis, zonder Founding Fathers en Thanksgiving maar mét een Idahot en Black Friday, is in feite het Amerika wat het altijd is geweest, een eeuwig naar een onbestemde toekomst in beweging blijvend heden, een vlak oppervlak zoals gedefinieerd in de termen van Gilles Deleuze. Het is ook een model dat zonder verdere complicaties kan geënt worden op eender welke bodem waar ook ter wereld, zonder dat er nog culturele oneffenheden aan vasthangen die niet voor export geschikt bevonden worden.

Van unipolariteit naar multipolariteit

Nieuwe regionale machten zijn in opkomst, voornamelijk in Oost-Europa en Azië (Eurazië). Geopolitieke wetenschappers en filosofen presenteren verschillende analyses hieromtrent. De oudste theorie is dat na de Europese eeuw Amerikaanse eeuw (respectievelijk de negentiende en de twintigste eeuw) nu de Aziatische eeuw aanbreekt, en meer specifiek: de Chinese eenentwintigste eeuw. Volgens sommigen loert China om de hoek als kaper op de kust voor de nieuwe wereldmacht, maar alle alarmisme hieromtrent ten spijt valt het ten zeerste te betwijfelen dat we globaal zijn aan het evolueren naar een alles overkoepelende Chinese wereldorde. Wel zal er rekening moeten gehouden worden met een incrementeel toenemende Chinese invloed op de productie, infrastructuur, de financiële wereld en de globale politieke verhoudingen, en dit tot ver buiten haar grenzen, waarbij het land altijd in de eerste plaats haar eigen nationale belangen zal nastreven. Een meer waarschijnlijk scenario is dan ook dat van een opkomende multipolaire wereldorde, die het liberaal-kapitalistische globalistische unipolaire project in belangrijke mate zal doorkruisen, temeer daar landen als China zich in toenemende mate op tegengestelde of incompatibele ideologieën beroepen (na jaren van marktwerking grijpt China nu in toenemende mate opnieuw terug op het communisme). Na een viertal decennia onder een bipolaire wereldorde (kapitalisme versus socialisme, het Westen versus het Oosten) en een drietal decennia waarin een unipolaire wereldorde hoogtij vierde, zal de wereld nu opnieuw fragmenteren, niet zozeer in geïsoleerde nationale staten maar in diverse polen van macht, cultuursferen en geopolitieke hoofdrolspelers. Deze situeren zich voornamelijk op het Euraziatische continent, waarbij dichtbevolkte of uitgestrekte landen met een sterk militair apparaat en een min of meer vastomlijnd ideologisch kader als China, Rusland, India, Turkije en Iran nadrukkelijk op de voorgrond treden. Het is een realiteit waar de Verenigde Staten op de ene of andere manier mee zal moeten omgaan. De vraag is ten zeerste of ze dat willen, en ook of ze dit eigenlijk wel kunnen. Of implodeert het land, enigszins analoog aan de Sovjet-Unie, hoewel er tal van verschillen zijn, onder het gewicht van zichzelf?

In het centrum van het oude continent ligt het mythische Hartland (McKinder), dat tot op de dag van vandaag nog steeds een hypnotiserende invloed heeft op de wereld daarbuiten. Meer dan ooit is Rusland eerder een symbool dan een fysieke realiteit en in een toenemend virtuele wereld neemt deze verbeelde ruimte wanstaltige proporties aan. In een scenario waarin tijd en ruimte verbogen worden tot een nieuwe fantasierealiteit, is Rusland een soort van onbestemd Mordor, waarover een zwarte vorst regeert wiens voornaamste doel erin bestaat zijn duistere macht uit te strekken over de buitenwereld. Volgens een bijzonder merkwaardige vorm van racisme, die alleen liberalen zich schijnen te mogen permitteren, wordt dit land ook volledig bevolkt door trollen en orks. Dit fantasieland is tegelijk primitief en hoogtechnologisch, want hoewel het westen er in alle mogelijke opzichten superieur aan is, slaagt het er toch in de publieke opinie en verkiezingen via allerlei mogelijke manieren te beïnvloeden en zijn zeer hoge militaire uitgaven nodig om de dreiging van een nakende invasie op afstand te houden. Tegelijk bestaat de indruk dat Rusland niks anders is dan een soort van overgewaardeerde gascentrale is, waarvan de enige lotsbestemming erin bestaat weg te kwijnen aan de verkeerde kant van de geschiedenis. Niets van dit alles is ook maar enigszins gebaseerd op daadwerkelijk onderzoek of analyse, maar toch bezondigen zelfs zogenaamde “experten” in het Westen zich er regelmatig aan – en dit vaak tegen beter weten in – in een nauwelijks verholen poging om de publieke opinie in het eigen land overtuigd te houden van de onbetwistbare meerwaarde van het liberale project. In werkelijkheid liggen de prioriteiten in Rusland zelf geheel anders geschikt. Het land heeft een groeiende economie, die dit jaar nog deze van Duitsland als grootste “Europese” economie zal voorbijsteken. En hoewel Vladimir Poetin een postideologisch leider is, is zijn entourage dat zeker niet. De nieuwe grondwet, bij referendum goedgekeurd in juni van dit jaar, zorgt ervoor dat na China ook in Rusland ideologie terug op de agenda staat. Welke deze ideologie uiteindelijk zal zijn, valt in de postmoderne mozaïek van traditionalistische en marxistisch-leninistische elementen die de Russische herinneringscultus gestalte geven (die tevens de basis vormt van de Russische identiteit) vooralsnog moeilijk te onderscheiden. Maar dat deze zal even fundamenteel zal verschillen van het liberalisme en het geïnternationaliseerd amerikanisme als de Sovjetideologie dat deed in de twintigste eeuw, lijkt als een paal boven water te staan.

Republikeinse (!) anti-Trump-propaganda: Trump als pion van een denkbeeldige Sovjet-Unie onder Vladimir Poetin

Ondertussen heeft Amerika ook de nodige moeite om de eigen traditionele achtertuin onder controle te houden. In Venezuela lukte het niet om de Bolivariaanse leider Maduro te vervangen door een eigen tegenkandidaat. Een aanvankelijk beter geslaagde poging om Morales van de troon te stoten in Bolivia, die via de OAS werd gespeeld, werd vorige week nog tenietgedaan door de verpletterende overwinning van het patriottisch-socialistische MAS met meer dan 50% van de stemmen. Onder Trump bevroren de voorzichtige toenaderingen tot Cuba die door Obama werden gedaan. Het land versterkte prompt zijn banden met Venezuela, China en Rusland, en vervult nu een waarnemersrol in de Euraziatische Economische Unie, een opmerkelijke zet aangezien het land niet Eurazisch is en nog steeds vertrekt van uit haar marxistisch-leninistische basisideologie, terwijl de overige landen van deze economische unie weliswaar behoren tot de geografische post-Sovjetsfeer maar verder de mechanismen van de markt hebben omarmd. Elders op het continent, zoals in Chili en Colombia, bedreigen massale betogingen het rechtsliberale status quo.    

De houding ten opzichte van deze opkomende multipolariteit wisselt nauwelijks tussen de twee Amerikaanse politieke partijen, of zelfs tussen de bestaande fracties binnen deze politieke partijen. De polarisatie inzake buitenlands beleid spitst zich toe op triggerwoorden als China virus, build that wall en Russian interference, geheel in de lijn van wat men van het hyperbolische en overemotionele (want uiterst narcistische) discours van het land over zichzelf mag verwachten. Voor het overige valt er erg weinig verschil te noteren tussen de diplomatieke houding van zelfs de meest rabiate neocons en het gros van datgene zichzelf graag als democratic socialists laat definiëren. Voor de meeste – zo niet, alle – Amerikanen is exceptionalisme gewoon de norm, en zijn andere landen en volkeren gewoon onvolmaakt (i.e. nog niet) Amerikaans. De enige fundamentele kwestie waar nog hoogoplopende discussie over wordt gevoerd is, paradoxaal genoeg, hoe “inclusief” dit exceptionalisme kan en mag zijn. Maar in ieder geval geldt als vuistregel het onverminderde feit dat een mensenleven devalueert naarmate de cultuur minder Amerikaans en de socio-economische realiteit minder liberaal-kapitalistisch is. In het Midden-Oosten, Oost-Europa en Latijns-Amerika mogen proxyoorlogen en economische destabilisatie (“sancties”) met de meest meedogenloze rigoreusiteit worden gevoerd, ondersteund door kapitaal en drones. Vervolgens wordt enkel nog gediscussieerd over het percentage van vluchtelingen uit deze regio’s dat mag worden toegelaten in Westerse landen, en de schaal van morele en culturele superioriteit die daaraan gekoppeld kan worden – in deze of gene richting. 

Van “failed state” naar “state of mind”

In de eenentwintigste eeuw komt er stilaan een eind aan de unipolaire liberale wereldorde die na 1989 werd geïnstalleerd. Het centrum van het systeem, de Verenigde Staten van Amerika, implodeert. Dit hangt samen met de zwakheden van het economische systeem, de groeiende sociale ongelijkheid tussen “winnaars” en “verliezers” van het systeem, de ecologische crisis die het voortbestaan van de planeet bedreigt, de ondraaglijke kosten van het militaire apparaat, het onvermogen van het land om zichzelf heruit te vinden en de culturele tegenstellingen die decennialang op de spits zijn gedreven door de overheersende ideologie van het (neo)liberalisme, de sociale atomisering, het hyperkapitalisme, het anticommunisme, het anti-traditionalisme en het anti-eurazisme (d.w.z. de containmentstrategie tegen het ontstaan of overvleugelen van de Amerikaanse macht door zogenaamde contender states op het Euraziatische supercontinent). Dat twee van de zwakste kandidaten uit de geschiedenis van de Amerikaanse presidentsverkiezingen nu tegenover elkaar staan in het meest inspiratieloze gevecht om de macht ooit, en dat in een tijdperk waarin de wereld door een historische gezondheidscrisis wordt bedreigd waarvan het einde allesbehalve in zicht is, is dan ook du jamais vu.

Het economisch en politiek overwicht in de wereld verschuift naar Eurazië. Geen enkele macht op het Eurazische continent, zelfs China niet, heeft momenteel het vermogen of de ambitie om de plaats van de Verenigde Staten volledig in te nemen. Anderzijds zal het Amerikaanse culturele model van verengelsing, consumptie, entertainment, individualisme en betekenisloze social justice (want in wezen individualistisch en identitair, niet sociaal) nog geruime tijd haar culturele uitstraling behouden onder de geglobaliseerde elites en de gegoede middenklasse, die dit model niet willen loslaten. De sociale tegenstellingen binnen de VS, die het afgelopen decennium en zeker de afgelopen vier jaar totaal op de spits zijn gedreven, dreigen het land ondertussen te doen afglijden in de richting van destabilisatie en een burgeroorlog. Gewapende milities patrouilleren op de straten en staan klaar om de plaats in te nemen van de politiediensten eenmaal die van hun fondsen worden ontdaan. Stad en platteland, kust en binnenland, blank en zwart, democraat en republikein, staan tegenover elkaar op Freudiaanse en postmoderne gronden, zonder dat ideologie ooit een wezenlijke tegenstelling vormt tussen beiden. Het socialisme van de democratic socialists is immers niet socialistisch, net zo min als het conservatisme van de neocons daadwerkelijk conservatief is. Niettemin is het potentieel tot een burgeroorlog of een bepaalde endemische toestand van onrust, geweld en verlies van controle door de overheid op het gedrag van haar burgers een reëel scenario in een land dat verregaande burgerlijke vrijheden en zelfgerechtigdheid altijd al tot haar kernwaarden heeft gerekend.

Gewapende milities in Louisville, Kentucky

Wanneer Biden tot president wordt verkozen, ligt het sterk in de verwachting dat deze voor een confrontatiestrategie zal kiezen ten gunste van de globale financiële elites ten opzichte van haar internationale uitdagers. Een Chinees-Russische militaire alliantie als reactie hierop behoort in dat geval zeker tot de mogelijkheden. Tegelijk zal de aanhang van Trump zich vermoedelijk moeilijk kunnen neerleggen bij het wegvallen van wat zij zelf als de laatste strohalm aanzag. Interne spanningen en geweld zullen toenemen, waardoor de Verenigde Staten als natiestaat steeds meer de allure verkrijgen van een failed state, en haar gespleten samenlevingsmodel dat van een permanente, klassegebonden state of mind wiens culturele uitstraling naar de rest van de wereld toe nog geruime tijd behouden zal bijven. Het Amerikaanse rijk mag dan wel stilaan uit zijn, het potentieel van het land om de wereld op te zadelen met een endemische vorm van kwaadaardigheid werd de voorbije decennia dan wel meer dan regelmatig aangewend, maar is ongetwijfeld nog lang niet uitgeput.