Een open Vlaanderen: ruimte en leefmilieu

Ruimte in Vlaanderen: een falend beleid als ideologisch instrument

Wie vanuit Wallonië, Frankrijk, Duitsland, of zelfs het dichtbevolkte Nederland Vlaanderen binnenrijdt, valt meteen het dramatische verschil in ruimtelijke ordening op. Vlaanderen is volledig dicht gebouwd, en dit op de meest chaotische wijze: overal waar men om zich heen kijkt weerkaatst het licht op de daken van talloze woonwijken, flatgebouwen, woonlinten, industriepanden of megastallen. Een enorme versnippering van het landschap gaat hiermee gepaard. Bebouwing staat verspreid tussen de akkers en weilanden, uitgestrekt in linten langs provinciale wegen, met onregelmatige lapjes bos en natuurgebied daar tussenin. Langs de randen van de dorpskernen verrijzen nog dagelijks nieuwe vlakverkavelingen en industrieterreinen. Oude aantrekkelijke boerderijen worden afgebroken en vervangen door lelijke, geblokte villa’s van staal, glas en beton. Zowel de authenticiteit van de leefomgeving, het sociale karakter van de gemeenschap als de ecologische waarden moeten wijken in dit nieuwe, zogezegd economisch functionele maar in feite totaal irrationele landschap. In tegenstelling tot de buurlanden is ruimtelijke planning in Vlaanderen zowat onbestaande. Architectuur is nauwelijks nog gebonden aan regels of tradities, maar een individuele zaak waarvan iedere architect en bouwheer zijn privé-project kan maken. Het platteland bestaat in feite niet meer, in de plaats daarvan is het grootste deel van het grondgebied gereduceerd tot een uitwaaierende stadsnevel. Recente cijfers van Statbel laten zien dat de bebouwde oppervlakte sinds het midden van de jaren ’80 zowat verdubbeld is. In totaal is er 120 500 ha aan bebouwde grond bijgekomen na 1985. Daartoe behoren ook industrieterreinen, maar vooral de bebouwde percelen zijn sterk in oppervlakte toegenomen, 75 000 ha in totaal, wat neerkomt op een toename van 75%. Tegenwoordig is meer dan een kwart van de oppervlakte in Vlaanderen bebouwd. Daar tegenover staat een afname aan bos van 2 700 ha. Nochtans voorzag het Structuurplan van 1997 in een toename van 10 000 ha aan bos. Ook het wegennet blijft uitbreiden, tussen 2017 en 2018 zelfs nog met 10%. De open ruimte staat in Vlaanderen onder zware druk. De vele bebouwing en verharding zorgt voor grote problemen met de afwatering en een toename aan bodemerosie, wat zich manifesteert in de vorm van modderstromen die de straten tot in de dorpskernen blank zetten en grote schade aanrichten. Biodiversiteit neemt af in een dramatisch tempo, inheemse planten en insecten verdwijnen en het eens zo idyllische landelijke Vlaanderen, dat werd beschreven in de romans en gedichten van Felix Timmermans, Stijn Streuvels en André Demedts, is zeker sinds de jaren ’90 in het geheel niet meer herkenbaar. Het traditionele boerenbedrijf uit deze romans is trouwens vervangen door een industriële vorm van landbouw, die zich enkel met subsidies staande kan houden en er niet in slaagt om haar mestoverschot onder controle te krijgen.

Sinds 2018 is er in het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen sprake van een zogenaamde “betonstop”. Tegen 2040 zou er geen toename meer mogen zijn aan bebouwde ruimte en geen nieuwe verkavelingen meer bijkomen. We spreken hier evenwel over een tijdspanne van 20 jaar. Aan het tempo van de laatste 30 jaar zou de bebouwing nog makkelijk met bijna een derde kunnen toenemen. En hoewel dit tempo enigszins is aan het afnemen, kwam er tussen 2017 en 2018 toch nog 13 000 ha aan bebouwde oppervlakte bij. De regering Michel zou de plannen voor de betonstop concreet uitwerken, maar daar is uiteindelijk niets van terecht gekomen. De coalitie schuift de hete aardappel door naar de volgende legislatuur. Dit hoeft ook niet te verbazen. Geheel in lijn met haar liberale principes, stond deze regering voor een beleid van decentralisatie, deregularisering en laissez-faire. Het kon worden verwacht dat er binnen een domein waar de regels al vrij schaars waren, weinig vooruitgang zou worden geboekt. Deze regering sluit zich overigens aan bij een lange traditie van meer dan een halve eeuw aan Belgisch wanbeleid. In 1948 werd de wet-De Taeye gestemd. Bedenker daarvan was de West-Vlaamse CVP’er Alfred De Taeye. Geheel in de lijn van de toenmalige strategie om de dreiging van het communisme in te dammen, werden riante bouwpremies voorzien voor ieder die een huis wou bouwen. Immers, wie een eigen huis heeft, denkt niet meer aan revolutie, zo luidde de redenering. De rol van de christelijke arbeidersbeweging BAC, waaruit Alfred De Taeye zelf afkomstig was, was in dit proces aanzienlijk.  Zij verstrekten de hypotheken en verstevigden op deze manier hun greep over het platteland. Naarmate de dorpskernen steeds meer opgevuld raakten, waaierden de bouwlinten uit over het platteland. Aan het einde van de jaren ’80, toen de “red scare” geweken was, namen liberale principes van individualisering en deregularisering de overhand in de ruimtelijke ordening.  De huidige versnelling in de landschappelijke versnippering kwam toen op volle gang. Een combinatie van christendemocratische angst voor socialisme en liberale principes maakte van Vlaanderen “het lelijkste land ter wereld”, zoals de architect en planner Renaat Braem het in 1968 reeds verwoordde. Dit alles gebeurde overigens met actieve medewerking van de sociaaldemocraten, die vanaf de jaren ’90 steeds meer het pad van “de derde weg” insloegen. De bouwlobby kwam aldus in handen van de liberalen, terwijl de landbouwlobby bij de christendemocraten kwam te liggen. Structuurplannen haalden niks uit tegen deze chaos, corruptie en koehandel waren schering en inslag. Deze combinatie van liberale en christendemocratische bouwwoede werkt tot op de dag van vandaag door, zeker bij de regering Michel I. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de laatste jaren ecologisch waardevolle gebieden, zoals het Essersbos, bleven verdwijnen en de vierkante meters aan beton bleven toenemen.

De moderne klimaatbeweging als antithese

Sinds eind vorig jaar vinden er in ons land op regelmatige tijdstippen klimaatbetogingen plaats. Mobiliteit, natuur en klimaat staan tegenwoordig in het centrum van de belangstelling. Burgerbewegingen wijzen op de verantwoordelijkheid van de partijpolitiek, die enkel maar denkt aan de volgende verkiezingen. Hoewel een toename in het bewustzijn van de bevolking voor de eigen leefomgeving alleen maar toegejuicht kan worden, zijn er ook enkele duidelijke keerzijden aan deze medaille. De stuwende krachten die deze burgerbewegingen proberen te kanaliseren, en dat zijn naast de partij Groen en haar mantelorganisaties ook de links-liberale vertegenwoordigers van de zogenaamd participatieve uitklapdemocratie, ontberen een geïntegreerde visie op landschap en samenleving, en wentelen de lasten op de gewone burger af. Daarnaast valt ook de reductie van het probleem tot de loutere uitstoot van CO2 te noteren, een concept dat makkelijk te vermarkten valt waardoor een intrinsieke verweving ontstaat met het groene kapitalisme en de duurzaamheidsindustrie. Kennis over ecologie is binnen de groene partijen en bewegingen gedurende de laatste decennia sterk afgenomen. Daar tegenover staat een toenemende verwevenheid met een bepaalde geürbaniseerde levenswijze en de uit Amerika overgewaaide cultuuroorlogen. Binnen een naar neocalvinisme riekend moreel kader wordt een psychologisch construct opgezet waarbinnen eenieder individueel verantwoordelijk wordt geacht voor zijn of haar ecologische voetafdruk. Dit moet leiden tot wijzigende gedragspatronen op het vlak van mobiliteit, vleesconsumptie, gebruik van plastieken voorwerpen, enzovoort. Op de straten wordt een intersectionalistische strijd gepromoot tussen verschillende vervoerswijzen, die wordt opgeblazen tot een heuse oorlog van identiteiten (“fietsers” versus “automobilisten”). Op de uitbouw van natuur, waarbij een precair evenwicht gehanteerd moet worden tussen biodiverse heidegebieden en koolstof bufferende, klimaatvriendelijke bossen, bestaat geen geïntegreerde visie meer. Des te belangrijker zijn stadstuintjes (waarvan de vijvers overigens dikwijls zorgen voor een grote uitstoot van het broeikasgas methaan) en het op modernistische en onesthetische wijze heropbouwen van de Notre Dame-kathedraal in Parijs met een symbolische ecologische serre op het dak. De gekozen actievormen van de betogers, niet zelden smakeloos en ridicuul, leiden tot een tanend draagvlak onder de bevolking. Politiek rechts speelt bij dit alles dan weer de rol waarin het zich maar al te graag laat casten, namelijk dat van blaffende hond en fanatiek protagonist van het economy first-principe.  Hierbij wordt eindeloos gehamerd op het potentieel verlies aan welvaart en op de belangen van hardwerkende ondernemers. Deze valse dichotomie tussen links- en rechts-liberaal, die maar al te graag wordt overgenomen door de politieke partijen, dwingt onze bevolking in een ongewenst spagaat.  

Opnieuw ruimte voor Vlaanderen

De natuurlijke zorg voor de eigen leefomgeving moet in Vlaanderen opnieuw centraal komen te staan, en deze leefomgeving moet opnieuw op maat van de mens. De ideeën van de Vlaamse Bouwmeester Leo Van Broeck, die opnieuw streeft naar een bij wijlen premodern aandoend beeld van dichtere bouwkernen en gemeenschappelijke hulpbronnen – zoals de bodem – zijn in essentie goed, maar lijken soms op maat gemaakt van een nieuwe generatie van postmoderne architecten die mens en dier in homogene, abstracte woonsjablonen wil samendrijven. Wij stellen een nieuwe visie op ruimtelijke beleid voor, waarbij lokale bouwtradities geherwaardeerd worden, historische ruimtelijke patronen opnieuw op hun waarde geëvalueerd worden en moderne wetenschappelijke, ruimtelijke, ecologische en architectonische inzichten worden gebruikt om deze structuren te verbeteren en aan te vullen. Landbouw moet opnieuw lokaal bedreven worden, op maat van de mens, en niet om andere continenten zoals Afrika te bestoken met goedkope landbouwoverschotten en in hun eigen ontwikkeling te fnuiken terwijl onze eigen landbouwers financieel en persoonlijk worden geruïneerd door de moordende concurrentiedruk. Overal ter wereld, maar ook in Europa, is het zelfmoordcijfer onder landbouwers alarmerend hoog! Het is een grove fout van een deel van de moderne, stedelijke milieubeweging om de boer als vijand te zien. De boer is de primaire natuurbeheerder, en ook het beste aanspreekpunt op het terrein. Organische maar ook wetenschappelijke landbouw, waarin beproefde landbouwtradities hand in hand kunnen gaan met nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen, dient de basis te vormen voor een gezonde en adequate landbouweconomie alsook een duurzaam natuurbeleid. Diversiteit in teelten dient te worden geprefereerd boven monocultuur. Een duurzaam model van biologische veeteelt moet een alternatief kunnen bieden voor de huidige overconsumptie aan vlees en stijgende overbemesting. Permacultuur en biolandbouw hoeven geenszins diametraal tegenover landbouwinnovatie te staan, maar verschillende concepten kunnen elkaar daarentegen aanvullen en versterken. Op die manier gaan ecologie, traditie en technologie hand in hand. Het landschap moet teruggebracht worden op maat van de samenleving. Daarom streven we ook naar herstel van de kleinschaligheid, die voor het historische Vlaamse landschap zo kenmerkend was. Op de historische kaarten zien we hoe natte wei- en hooilanden, alsook bos- en heidegebieden, afwisselden met akkers omzoomd door opgaand hout. Deze houtwallen, die vroeger de plaatselijke gemeenschappen van voldoende geriefhout voorzagen, kunnen nu de corridors vormen waarlangs soorten migreren en biodiversiteit gegarandeerd wordt. Waar vroeger de omstandigheden gekoppeld aan geologie, water en bodem het landgebruik mede bepaalden, kunnen deze in combinatie met de hedendaagse innovaties mede de basis vormen voor een geïntegreerd ruimtelijk en landschappelijk beleid, dat voorzien is op klimaatsveranderingen, biodiversiteit in stand houdt, het ruimtelijke evenwicht herstelt en een evenwichtige landbouw kan ondersteunen.

Op deze manier kan zowel het ruimtebeslag van de landbouw verminderd worden als de impact ervan op bodem- en waterkwaliteit (overbemesting, pesticiden, erosie). Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met het feit dat dergelijke inzichten te belangrijk zijn om uit te besteden aan de markt. Het misbruik van patenten door malafide multinationals moet ten allen koste worden bestreden en dergelijke producten moeten uit onze leefomgeving worden geweerd. De voedselproductie moet opnieuw in handen komen van de gemeenschap. Bodem en water zijn primaire hulpbronnen, die we niet mogen overlaten aan de speculatie van meedogenloze multinationals. Kortom, duurzame en gemeenschapsgerichte landschappen moeten de eerste doelstelling vormen voor elke vorm van ruimtelijke beleid. Alleen zo kunnen wij in Vlaanderen opnieuw sociale dorpen en steden bouwen, waarin authentieke gemeenschappen kunnen wonen en functioneren binnen een natuurlijke, duurzame en aangename leefomgeving.