Basisdemocratie versus autoritair liberalisme

De crisis van het liberalisme

Het concept van de “participatieve democratie” staat volop in de belangstelling. Naarmate verkiezingen steeds minder de gewenste resultaten opleveren, groeit in liberale kringen de roep naar een nieuwe vorm van democratie. Het parlementaire stelsel heeft afgedaan, want het kan het liberalisme niet langer beschermen tegen de krachten van het populisme, het nationalisme en het eurazisme. Door de opkomst van illiberale democratieën komt het parlementaire liberalisme in het westen in een zware identiteitscrisis terecht. Ten eerste ziet het zich concurrentie aangedaan op domeinen waarin het zichtzelf tot nu toe het absolute marktleiderschap placht aan te meten, met name exportproducten zoals “vrijheid” en “democratie”. Ten tweede moet het nu ook vanuit geopolitiek standpunt rekening gaan houden met een multipolaraire herverdeling van de globale hegemonie. Dit leidt enerzijds tot slechte imitaties en foutieve interpretaties. Waar de regimes van Derde Wereld-landen in de vorige eeuw zoveel mogelijk hun westerse evenknieën trachtten te imiteren, vormen de fratsen van de Amerikaanse president Donald Trump of de Britse premier Boris Johnson heden ten dage een slechte nabootsing van het beleid van Xi, Poetin of zelfs Erdogan. De onophoudelijke soapserie rond het Amerikaanse presidentschap en de Brexit-saga zijn hier een rechtstreeks gevolg van. Op zijn beurt geldt de grote verdeeldheid tussen links- en rechtsliberalen, die de westerse democratieën kenmerkt, allerminst als na te steven voorbeeld in het buitenland. Het systeem dat begin jaren ’90 definitief de wereld had veroverd, rolt achteruit en de laatste jaren in hogere versnelling.

Gele Hesjes (Parijs, 2019)

Ook onder de bevolking in het westen bewegen de geesten. In Frankrijk reageren de Gele Hesjes als bijna een jaar lang onvermoeibaar tegen het linksliberale autocratie van Emanuel Macron, wiens neoliberale beleid de arbeidersklasse zwaar treft. De opkomst van populistische partijen daagt het establishment uit. Hoewel het systeembedreigend vermogen van dergelijke politieke partijen in feite schromelijk overdreven wordt, gelden slechte verkiezingen voor de elite als barometer van het welbevinden van de bevolking over het bestaande status quo. En alle flinterdunne analyses over “boze witte mannen” en “foert-stemmen” ten spijt, kalft het draagvlak voor de parlementaire stelsel verder af. Het gepercipieerde probleem hierbij is overigens niet dat de democratie ten onder gaat, maar wel het liberalisme. Joël De Ceulaer, senior writer bij De Morgen, geeft in zijn nieuwste boek “Hoera! De democratie is niet perfect” aan dat hij liever in een liberale autocratie zoals Singapore dan een illiberale democratie zoals Hongarije zou leven. Het heeft het voordeel van de duidelijkheid dat het autoritair liberalisme zich niet langer achter bepaalde concepten, waarop zij eigenlijk geen eigendomsrecht heeft, tracht te verbergen. Maar De Ceulaer, aspirant-filosoof en een in progressieve kringen gerespecteerd opiniemaker, wiens Twitter-account jarenlang zowat het epicentrum van het burgerlijke verzet tegen de al even burgerlijke N-VA was, geldt steeds vaker als een (liberaal-)conservatief denker, zoals zijn aartsrivaal Rik Torfs zich onlangs nog liet ontvallen in de politieke talkshow De Zevende Dag. Met zijn boek reageert hij dan ook tegen een belangrijke hoofdstroom binnen de eigen achterban, voor wie het parlementaire stelsel langzamerhand heeft afgedaan. Er ontstaat namelijk een nieuwe vorm van linksliberalisme, voor wie “de particratie” en – als het even kan ook the patriarchy – het centrale doelwit van een emotionele hutsepot vormen, die verder overigens maar al te bekend aandoet. Het gaat om een nieuwe succesformule die in toenemende mate wordt gepromoot als tegengif tegen “het populisme”, namelijk de participatieve democratie. Ondertussen is kritiek op de particratie mainstream geworden. Nadat de Nederlandse politicoloog Maurice De Hondt al decennialang zijn voorspelling uit 2003 blijft herhalen dat de Thorbecke-democratie aan haar einde komt, struikelen journalisten en politicologen over elkaar heen om dit te bevestigen.  Dit betreft progressieve opiniemakers zoals Bart Brinckman of Dave Sindaret, maar ook de Vlaams-nationalistische ex-N-VA’ers Vuye & Wouters.

Participatieve democratie

In oktober 2018 deed een recordaantal van zogenaamde “burgerlijsten” mee aan de gemeenteraadsverkiezingen in Vlaanderen. Deze lijsten waren in opzet en basisfilosofie vrij heterogeen, maar kenmerkten zich in ieder geval door de gemeenschappelijke noemer dat het ging om politieke partijen die zich niet bekenden tot een van de grote nationale politieke families. Nader bekeken blijkt er toch meer aan de hand dan louter een uitbreiding van het aantal kleine agrarische gemeenten waarin een traditionele “Lijst Burgemeester” een gooi naar de sjerp heeft gedaan, enkel en alleen op basis van lokale belangen en persoonlijk charisma. Er is wel degelijk sprake van een ideologische kentering. De zogenaamde burgerlijsten onderscheiden zich van de lokale lijsten omdat zij pleiten voor radicale veranderingen in het politieke besluitvormingsproces, die desgevallend ook geëxtrapoleerd kunnen worden naar het nationale niveau. Niet zelden vinden zij hun wortels in voormalige Piratenpartijen. Gemiddeld haalden ze slechts 2,37% van de stemmen. Traditionele lokale lijsten deden het beter in die gemeenten waar ze samen met de burgerlijsten opkwamen. Zeer illustratief was het uiterst slechte resultaat van de Burgerlijst in Antwerpen, de grootste stad van Vlaanderen, het geesteskind van milieuactivist en hipsterliberaal Thomas Goorden (StRaten-Generaal, tevens ex-Piratenpartij). Grootse woorden over radicale politieke vernieuwing ten spijt, haalde zij slechts 1 404 stemmen (0,5%). Thibault Renson, politicoloog verbonden aan de Universiteit Gent, concludeert dat er onder de burgers maar weinig vraag is naar participatieve democratie. Van een breed gedragen volksbeweging lijkt dus geenszins sprake te zijn. De filosofische impact is niettemin groter op de geesten van politieke theoretici, journalisten, opiniemakers en allerhande “influencers” op de sociale media dan op de werkende klasse.

Participatieve democratie of participatiedemocratie laat zich omschrijven als een vorm van besluitvorming waarbij burgers min of meer direct invloed uitoefenen op het beleid. Dit kan in verschillende vormen: door middel van een referendum, wijkvergadering of petities maar ook rechtstreekse adviesorganen en burgercomités die door loting werden vastgesteld. Deze participatieve democratie staat tegenover de representatieve democratie, waarbij het volk het beleid laat uitstippelen door verkozen vertegenwoordigers. De mate waarin de stem van de burger in het besluitvormingsproces is opgenomen kan sterk variëren, van relatief passief (zoals info-avonden, waarbij unilateraal informatie wordt verstrekt over nieuwe beslissingen van de overheid, bijvoorbeeld aangaande mobiliteit) tot actief (bevragingen, enquêtes en referenda). De hoogste vorm van burgerparticipatie bestaat uit de zogenaamde “co-creatie”, waarbij individuele burgers met elkaar in overleg gaan om een bepaald maatschappelijk probleem op te lossen. Door middel van een interactief leerproces komt men uiteindelijk tot een oplossing. Het fenomeen is overigens afkomstig uit de marketingwereld, hoewel de term reeds in de jaren ’80 voor het eerst werd gelanceerd door Barbara Marx Hubbard (1929-2019), vicepresidentskandidate van de Democraten tijdens de kansloze verkiezingen van 1984 en auteur van een aantal eerder schimmige futurologische werken. Opvallend was overigens dat zij in het tijdperk van glasnost en perestroika een aantal ontmoetingen organiseerde tussen burgers van de Verenigde Staten en de Sovjetunie in het kader van het zogenaamde SYNCON-project. De bedoeling was om nieuwe syntheses te creëren tussen leden van tegengestelde groepen. Niettemin kende het concept daarna maar weinig impact, tot het omstreeks de eeuwwisseling werd opgescharreld in commerciële middens om een proces te duiden waarbij consumenten van invloed zijn op het ontwikkelen van nieuwe producten. Bijzonder baanbrekend was de paper “Co-opting Customer’s Competence” van Prahalad en Ramaswamy in 2000. Vanuit deze invalshoek deed het idee al snel zijn intrede in het projectmanagement, en uiteindelijk ook in de politieke besluitvorming waar het een symbiose aanging met het concept van de participatieve democratie. Dit dook voor het eerst op in het boek “Participation and Democratic Theory” van Carole Pateman uit 1975. Hierin werd onder meer het spanningsveld met de representatieve en de participatieve democratie belicht. Daarnaast was er ook het werk van de Amerikaan James S. Fishkin, die het idee van de Deliberative Opinion Poll in het leven riep.


Initiatiefnemers van de G1000 in 2011, David van Reybrouck uiterst rechts.

Terwijl het idee van bottom-up co-creatie in de commerciële wereld nog steeds aan invloed wint – ook binnen de marketingwereld – gaan de voorstanders van de participatieve democratie verder in hun toepassingen. De ontwikkeling van het internettijdperk en de opkomst van de Occupy Wall Street-beweging van 2011 en de Piratenpartijen aan het begin van dit decennium, die voor “een nieuwe vorm van politiek” wilden staan, deden een en ander in een stroomversnelling terecht komen. In België zorgde de politieke en communautaire impasse na de verkiezingen van 2010 voor een bijzondere impuls. Een groep “kunstenaars” en semi-intellectuelen onder leiding van de cultuurhistoricus en hipsterliberaal David Van Reybrouck riep het initiatief van de G1000 in het leven. Dit was een “burgertop” van 1000 Belgische staatsburgers, die via een systeem van loting werden geselecteerd om te participeren in een grote algemene vergadering. Van Reybrouck propageerde een nieuwe vorm van directe democratie, gebaseerd op het gesproken woord in plaats van het geschreven woord en geruggesteund door nieuwe ontwikkelingen op het internet. Een belangrijk verschil met de representatieve democratie was dat de vertegenwoordigers geloot werden en niet verkozen. Een belangrijke inspiratiebron voor van Reybrouck werd overigens gevormd door de Spaanse Indignados, een antikapitalistische volksbeweging (de Movimiento 15-M) die in reactie op de bankencrisis en de eurocrisis in 2011 onder meer ijverde voor meer participatieve democratie, naast het verminderen van de macht van het IMF en ECB, het nationaliseren van geprivatiseerde overheidsbedrijven en de invoer van de Tobin-taks. Van dergelijke subversieve ideeën was bij Van Reybrouck, en zeker bij zijn epigonen zoals Manu Claeys (StRaten-Generaal) en de reeds genoemde Thomas Goorden, echter geen sprake meer. Geheel conform de evolutie van de westerse tijdsgeest tijdens het tweede decennium van de eenentwintigste eeuw zijn de pregnante socio-economische thema’s aan de kant geschoven voor een zoutloze identiteitspolitiek rond gender en diversiteit, met eschatologisch milieuactivisme als hefboom. Overigens vormde de opmars van het burgerlijke, parlementaire Vlaams-nationalisme de belangrijkste impuls tot het oprichten van de G1000, en niet de structurele problemen van het financieel kapitalisme en de groeiende ongelijkheid in de westerse samenleving zoals bij vergelijkbare initiatieven in het buitenland wel het geval was. De prioriteiten van hipsterliberalen en “kunstenaars” zijn nu eenmaal anders geschikt dan die van de werkende klasse. Uit een getuigenis van de juriste Lieve Van Den Broeck (Doorbraak, 12/06/2019), die deel uitmaakte van de G1000, blijkt ook de linksliberale pensée unique van de petit bourgeoisie die er de “mondige” ruggengraat van vormde. Ondertussen zijn de ideeën van Van Reybrouck overigens wel gedeeltelijk in de praktijk omgezet, zij het op beperkte schaal. Sinds september 2018 worden de verkozenen in de Duitstalige kantons, met 77 000 inwoners, bijgestaan door een door loting samengestelde burgerraad van 24 inwoners. Saillant detail, het beschikken over de Belgische nationaliteit is geen voorwaarde voor de loting. De samenleving wordt conform haar ultra-liberale principes geatomiseerd tot individuele consumenten en burgers.

Anarchisme, municipalisme en sociale ecologie

Ondanks de gebrekkige implementatie ervan, kregen ideeën rond grassroots-democratie een belangrijke impuls door de volksprotesten aan het begin van het decennium. Mede aan de basis hiervan lag de herontdekking van het oeuvre van Murray Bookchin (1921-2006). Bookchin, een Amerikaan van Russische afkomst, was een politiek theoreticus en een belangrijk denker in de ecologische en anarchistische beweging. In de tweede helft van de twintigste eeuw oefenden zijn ideeën grote invloed uit op de antiglobalistische milieubewegingen aan het eind van de jaren ‘90, maar in de eerste helft van het afgelopen decennium wonnen ze eveneens aan invloed via twee op het eerste zicht op zichzelf staande fenomenen: namelijk de reeds genoemde Occupy Wall Street-beweging in het westen en het Rojava-project van de Koerden in Noord-Syrië.  In de jaren ’30 was Bookchin nog een overtuigd communist, maar aan het eind van de jaren ’30 ruilde hij de stalinistische variant ervan in voor het trotskisme. Geleidelijk aan evolueerde hij tot libertair anarchisme. Vanaf de jaren ’70 richtte zijn werk zich steeds meer op het ontwerpen van een politieke theorie, waarin decentralisatie, municipalisme en ecologisme centraal stonden. Essentieel in zijn theorie was het centraal stellen van het niet-hiërarchische, gemeentelijke niveau als het meest elementaire voor de politieke besluitvorming, hetgeen volgens hem niet te verzoenen viel met het concept van de natiestaat. Deze moest volgens hem vervangen worden door een confederatie van vrije gemeenten. De sociale ecologie van zelforganisatie zou de rest doen.

Murray Bookchin (1921-2006)

Dat er een verband is tussen directe democratie en anarchisme, hoeft geen betoog. Het eerste concrete en meest authentieke experiment in ‘grassroots-democratie’ kwam kort na de Russische Oktoberrevolutie van 1917. Gedurende enkele jaren handhaafde zich in het oosten van Oekraïne een anarchistische enclave waar het Zwarte Leger van Nestor Ivanovich Makhno een vrijstaat kon uitbouwen. Batko Makhno (Vadertje Makhno) probeerde de ideeën van de Russische aardwetenschapper en politiek denker Pjotr Kropotkin, grondlegger van anarchobolsjevisme, in de praktijk om te zetten. In de burgeroorlog die volgde op de revolutie raakte Makhnovshchina-beweging verwikkeld in het strijdperk, waarin een onontwarbaar kluwen van strijdende partijen over elkaar heen struikelde. Achtereenvolgens nam het Zwarte Leger het op tegen de Oostenrijkers, de Witten, het hetmanaat, de Oekraïense nationalisten van Petliura en uiteindelijk het Rode Leger, waar het aanvankelijk nog een ambigu bondgenootschap mee onderhield. In de Russische populaire cultuur staat Makhno nog altijd synoniem met de chaos van de postrevolutionaire jaren, terwijl Oekraïense nationalisten hem als een anti-Russisch icoon repatriëren. Geen van beide voorstellingen doet uiteraard recht aan de realiteit. Het zogenaamde Vrije Territorium (Oekraïens: Vilna Teritoriya) bevond zich in hoofdzakelijk agrarisch gebied in oostelijk Oekraïene, met een centrale politieke rol voor de sovjets van arbeiders en boeren, en een economie die werd georganiseerd op principes van vrije uitwisseling tussen de steden en het platteland. Gemeenschappelijke boerderijen werden opgericht, zoals de succesvolle Rosa Luxemburg-kolkhoz in Guliai-Pole, terwijl ondernemingen werden geleid door lokale sovjets van arbeiders. Opvallend contrast met latere anarchisten zoals Bookchin en ook de hedendaagse burgerbewegingen is dat het hier in belangrijke mate een plattelandsbeweging betrof. Trotski zou Makhno later onder meer zijn antagonisme tegenover de stad verwijten.

Een ander voorbeeld van een vrij territorium dat eveneens zijn basis kende op het platteland, is dat van de Zapatistas of EZLN in Chiapas, dat in 1994 in opstand kwam tegen de onderdrukking van de Maya’s in Mexico en de neoliberale wereldoverheersing. De Zapatistas noemen zichzelf naar Emiliano Zapata, de eminente Mexicaanse inheemse opstandelingenleider uit het begin van de twintigste eeuw. Ze stonden en staan symbool voor het zelfbeschikkingsrecht van de autochtone Maya-bevolking in Mexico, hetgeen ze hebben verbonden aan een internationalistische strijd tegen het neoliberalisme. Een andere verbinding van linksnationalisme met basisdemocratie deed zich voor aan de andere kant van de wereld, in Koerdistan. Hier evolueerde de PKK van rebellenleider en ideoloog Abdulah Öcalan onder invloed van de ideeën van Murray Bookchin van een marxistisch-leninistisch linksnationalisme naar een anarchistisch regionalisme en municipalisme. De nationale bevrijdingsstrijd werd vervangen door het streven naar een democratisch confederalisme.  Een en ander vond zijn concrete uitwerking na de Arabische Lente in Noord-Syrië, waar het Rojava-experiment in het leven werd geroepen. Dit experiment kon trouwens op de nodige sympathie rekenen in het westen, waar de nodige indianenverhalen de ronde doen over het matriarchaat en de “jineologie”, wat deels –onterecht– aanzien wordt als een vorm van intersectioneel feminisme. Nochtans gruwen de Rojava-Koerden van het liberale westerse feminisme, dat de nadruk legt op interindividuele machtsverhoudingen, maar die kritiek wordt kennelijk niet goed begrepen. De culturele situatie in het Midden-Oosten, waar reactionaire bewegingen als Daesh tot voor kort op korte afstand van Rojava huishielden, wordt door westerse hipsterliberalen met hun grenzeloos universalisme en hun groezelige obsessie met cultuuroorlogen goeddeels genegeerd.

Subcommandante Marcos van de Zapatista-beweging

 Burgergriezels en hipsterliberalen

En dit brengt ons meteen bij de achillespees van de liberale burgerbewegingen in het westen. Hoezeer zij zich ook inspireren op wervende voorbeelden uit andere werelddelen en tijdperken, waarin zij het narcistische spiegelbeeld van zichzelf menen te zien: niets blijkt minder waar te zijn. Participatieve democratie blijkt een speeltje te zijn in de handen van een middenklasse, die in een cultuuroorlog is verwikkeld met zichzelf én met de arbeidersklasse. In tegenstelling tot hun historische voorgangers, die voortkwamen uit het niet-geïndustrialiseerde platteland, hopen de westerse burgerlijsten wijkinitiatieven in het leven te roepen in overbevolkte grootsteden, waar mensen iedere ochtend slaapdronken fietsen naar hun bullshit jobs. Daar komen ze voornamelijk voort uit een semi-geletterde, autistische middenklasse met artistieke ambities, die niets maar dan ook niets heeft begrepen van de werkende man of vrouw tenzij die op grond van individuele kenmerken tot een geestelijk “cultureel onderdrukte minderheidsgroep” zou behoren, want dan schieten woorden in eender welke taal tekort om de diep aangevoelde verontwaardiging uit de drukken. Zichzelf een vorm van neutraliteit en ideologische nieuwlichterij aanmetend, omschrijven de burgerlijsten zich als “links noch rechts”, wat op zich correct is, want men is in hoofdzaak gewoon liberaal. De obligate verwijzingen naar de neoliberaal Karl Popper om ongewenste proletarische uitlatingen uit het “burgerpanel” te bannen, vallen binnen die context niet eens meer op.

Deze nieuwe ideologie, die beweert lokale gemeenschappen te verenigen, is er één van hyperindividualisten, burgergriezels en hipsterliberalen. Zij is elitair en gevaarlijk, want zij beweert het volk (correctie: de burger!) te vertegenwoordigen, maar in haar aansluiting bij het Angelsaksische linksliberalisme verketteren haar ideologen een groot deel van het proletariaat als ongeletterd, verwerpelijk en dom. Zij is imperialistisch, want de democratische confederatie die men voor ogen heeft is een versplintering in stadstaten en urbane regio’s zonder geografische samenhang (behoudens de netwerken van mobiliteit) of culturele traditie (behoudens het postmodernisme), waar burgers mogen marchanderen over bloempotten en straatlantaarns, terwijl ze op hogere niveaus overstemd worden door beroepsnarcisten en “kunstenaars” die hen wel eens het correcte waardenpatroon zullen inpamperen. Glokalisme wordt het legitimerende niveau voor global governance, met een mechanistische uitwisselbaarheid van ontwortelde individuele burgers, geobsedeerd door identity politics, in éénder welk postmodern wijkcomité. Structurele kritiek op kapitalisme is afwezig, behoudens op sommige milieuonvriendelijke industriële sectoren, want de verwevenheid met de bedrijfswereld (marketing, dienstverlening en ICT) is groot. Dat StRaten-Generaal-activist Thomas Goorden onlangs samen met Hans Maes, jongerenvoorzitter van de Open Vld, opdook in een VRT-programma over “polyamorie”, vestigt nogmaals de aandacht op de ideologische positie van de artistieke kleinburgerij die zich bezighoudt met dit soort foleriën: links van de moraal, rechts van het kapitaal! Terwijl vele tien- en zelfs honderdduizenden in ons land moeite hebben om hun gezin te onderhouden, gaan de heren hipsters zich beklagen dat losse seks vijftig jaar na Woodstock nog altijd niet in de mode is. We zijn ver verwijderd van de autonome sovjets van arbeiders en boeren, van de zelforganiserende gemeenschappen en boerderijen die lokaal produceren met aandacht voor duurzaamheid, landschap en traditie. Hetzelfde liberalisme dat het parlementaire stelsel onwerkbaar heeft gemaakt, spat ook uit de etterbuilen en gezwellen van de opkomende “burgerbeweging”. Joël De Ceulaer hoeft zich nog geen zorgen te maken. Maar de roep om een werkelijk alternatief klinkt luider dan voorheen, want basisdemocratie is een te elementair gegeven om zonder weerwerk uit te besteden aan een kleingeestige en narcistische cultuurbourgeoisie die aan zelfbediening doet!