50 jaar Al Fateh-revolutie – omtrent wijlen Muammar Kadhaffi en het huidige Libië…

Naar aanleiding van de 50ste verjaardag van de Al Fateh-revolutie in Libië, is het misschien het moment om eens een ander licht over de Libische kolonel Kadhaffi en zijn visie te laten schijnen. Ook de opinievorming in Vlaanderen is, net als in de rest van West-Europa, vooral gekleurd door wat de Westerse tegenstanders ervan hebben gemaakt. Wie zonder vooroordelen zijn of haar mening wil vormen, raden we alvast het kritisch lezen van het ‘Groene Boekje’ aan, het bekende politieke werk dat Muammar Kadhaffi ooit zelf schreef. Geen zware filosofische turf, louter een historisch document dat her en der nog aan te schaffen is via internet.

Op 1 september 1969, 50 jaar geleden dus, greep kolonel Kadhaffi als leider van de beweging van Vrije Officieren de macht in Libië via een bloedeloze staatsgreep tegen het corrupte regime van koning Idris I. Kadhaffi kende een snelle opkomst als nationalist, begeesterd door het idee om zijn land en haar soevereiniteit te beschermen en zijn volk te laten profiteren van de rijkdom die de aanwezige olie- en gasbronnen tot voorheen aan de oliemaatschappijen schonken. Hij verwierp alle imperialismen, zowel het Amerikaanse imperialisme als het Sovjet-imperialisme, wiens atheïstische kant zijn geweten schokte als een gematigde gelovige. Hij nationaliseerde de belangrijkste sectoren van het Libische economische leven, met mededogen (vergoedingen) voor de eigenaren. In de oliesector verliepen de onderhandelingen moeilijk, maar in 1971 slaagde Kadhaffi in wat geen ander olieland eerder was gelukt: een verhoging van de prijs van ruwe olie opleggen aan de oliemaatschappijen. De beweging zou navolging kennen binnen de OPEC. Het Libische jaarinkomen van $ 2,2 miljard in 1973 steeg tot $ 6 miljard in 1974, tot $ 8,87 miljard in 1977. Honderdduizenden Libische gezinnen hebben hun levensomstandigheden aanzienlijk zien verbeteren. Onder koning Idriss behoorde Libië tot de armste landen ter wereld. Ongeveer 80% van de bevolking was analfabeet, kindersterfte liep op tot 40%.

Het nieuwe beleid heeft ook de ontwikkeling van infrastructuur en van een lokale petrochemische industrie mogelijk gemaakt en heeft de Libische landbouw reuzesprongen laten maken via irrigatieprojecten (de grote kunstmatige rivier) die woestijnvorming terugdrong. De olie-inkomsten werden ook geïnvesteerd in onderwijs, de alfabetisering steeg van ongeveer 20% vóór 1969 tot meer dan 85%. Dankzij gratis gezondheidszorg is onder andere de gemiddelde levensverwachting in dezelfde periode gestegen van 44 tot 70 jaar. Bedenk ook dat het BBP per hoofd van de bevolking ongeveer 11.000 dollar werd, een van de hoogste in de Arabische en zeker de Afrikaanse wereld. Libië had geen buitenlandse schulden, het land beschikte over een financiële reserve van zo’n 150 miljard dollar, waarvan het grootste deel bevroren werd door de Westerse regimes.

Vanuit het oogpunt van modernisering zijn de veranderingen op het gebied van de status van vrouwen misschien wel het meest verregaand. Merk in dit verband de wet op het huwelijk en de echtscheiding van 1984 op, die belangrijke verbeteringen in de status van vrouwen introduceerde: gemakkelijker toegang tot de arbeidsmarkt, bijna-verbod op polygamie, vrije toestemming voor het huwelijk, mogelijkheid tot echtscheiding, accommodatie te hebben in geval van scheiding en te kunnen genieten van eigen bezit. Deze veranderingen zijn doorgevoerd ondanks tegenstand van islamisten en conservatieve kringen. In tegenstelling tot andere Afrikaanse landen, waar het politieke discours over ontwikkeling eerder een technocratische en wetenschappelijke basis had, baseerde het discours in Libië in verband met de verbetering van de omstandigheden van vrouwen zich op een steeds herhalende inspanning om de islamitische tradities kritisch te herinterpreteren.

Kadhaffi legde vanaf 1975 de nadruk op de noodzaak om de islamitische doctrine te scheiden van de moraal van de koran, evenals kritiek op de plaats van de ‘ulamâ’ (islamitische geleerden die in islamitische landen invloed uitoefenen met kennis over de sharia, de Haddith,…) in het politieke systeem. Daarmee maakte hij een begin van secularisatie van de staat. De houding van Kadhaffi maakte meestal deel uit van een lang proces van scheiding van politieke macht van religieuze macht.

Onder het oude monarchale regime waren politieke partijen verboden en bestond het recht op meningsuiting niet. Nadat Kadhaffi aan de macht kwam, werd dit keurslijf steeds losser gemaakt en kwam er een een vorm van politieke liberalisering tot aan de “culturele revolutie” van april 1973, toen Kadhaffi brak met de ontluikende republiek, de Libische burgerij en dat deel van de middenklasse die geloofde dat de Libische leider een regime zou vestigen naar Westers model. De culturele revolutie betekende de start van een proces van breken met republikeinse, Westerse waarden. In de plaats werd het Jamahiriya-model gelanceerd, dat zeker de deelname van Libiërs aan het bestuur van het land verzekert, maar zonder invloed vanuit het Westen en haar politiek model. Het Libische politieke systeem is relatief gesloten gebleven en de Libische samenleving werd gecontroleerd. Net zoals elders in de wereld was de pers was niet onafhankelijk. Kritiek leveren op de regering of de macht van de president kon op gevangenisstraf uitlopen. Niettemin kon het Jamahiriya bestuur een aanzienlijke mate van inspraak verzekeren en terzelfdertijd lokale traditionele gezagsstructuren (stammen) respecteren. Voorts kon zich een civiele maatschappij ontwikkelen met een aanzienlijke diversiteit aan organisaties en sociale groepen. Tijdens de laatste jaren van Kadhaffi zijn bestuur, was er een opkomst van sociale en politieke krachten die elk hun programma en hun politieke oriëntatie voorstelden. Onder deze krachten waren gematigde islamisten, republikeinse nationalisten en zelfs monarchisten. Deze verslapping van de Al Fateh- revolutie en het Jamahiriya model, zou uiteindelijk een katalysator vormen voor een zich ontwikkelende burgeroorlog.

De transformatie die Kadhaffi in gang zette zou uiteindelijk niet enkel Libië en haar bevolking omvatten, Libisch oliegeld zou verschillende doelen over de hele wereld financieren, waaronder de bevrijdingsstrijd van het Palestijnse volk en de strijd van zwarten in Zuid-Afrika, maar ook de Ierse republikeinse strijd. In dat internationale kader hebben drie terroristische aanslagen ertoe geleid dat Kadhaffi werd en wordt afgeschilderd als een symbolisch figuur van “internationaal terrorisme”: de bomaanslag in de La Belle nachtclub in Berlijn in 1986, de bomaanslag tegen een Pan Am-vliegtuig boven het Schotse dorp Lockerbie in 1988 en de aanval op de UTA DC-10 boven Niger in 1989. Geen van de drie aanslagen werd opgeëist en na onderzoek wezen de meeste sporen in de richting van een Syrisch-Iraanse achtergrond. Er zijn voldoende redenen om aan te nemen dat de schuld onterecht bij de Libische staat werd gelegd.

De bomaanslag in Berlijn is de eerste van de serie. Het kostte Kadhaffi bijna zijn leven na de reactie van de Amerikaanse president Ronald Reagan. Deze laatste had, zodra hij in 1981 in het Witte Huis aankwam, het idee geopperd om de Libische leider te elimineren die hij tijdens de Koude Oorlog als een “Moskou-agent”, “de gevaarlijkste man ter wereld” of “de dolle hond van het Midden-Oosten” beschreef. De bomaanslag tegen het Pan Am vliegtuig, die niet opgeëist, werd in de Westerse pers voorgesteld als een vergelding voor de Amerikaanse bombardementen op Benghazi en Tripoli, in de nacht van 15 april 1986. Kadhaffi kwam er ongeschonden uit, maar een van zijn dochters werd gedood terwijl zijn vrouw en zeven kinderen gewond raakten. Hoe dan ook, het in Duitsland geopende proces leidde tot het oordeel dat er geen bewijs was om de verantwoordelijkheid van Kadhafi voor de aanslag tegen de Berlijnse nachtclub vast te stellen. Ondanks voldoende bewijs dat Libië ten onrechte van beide aanvallen werd beschuldigd, moest het land schadevergoedingen betalen vanwege de internationale gemeenschap. Ook het onderzoek naar de aanslag tegen de UTA DC-10 boven de woestijn van Niger eindigde opnieuw met het Syrisch-Iraanse spoor . Het verlaten van het Syrisch-Iraanse spoor kan toegeschreven worden aan een samenvallen van omstandigheden tussen de Westerse mogendheden en Syrië tijdens de Golfoorlog en de wil om geen bondgenoten te onthullen die betrokken zijn bij dossiers van gijzelingen in Libanon. Door 2,7 miljard dollar te betalen en zijn plaats in het “concert van naties” te hervatten, maakte Tripoli deel uit van de koude logica van realpolitik: eerst de eigen belangen verdedigen. Door dit gebaar kon Libië een genormaliseerde staat worden in een tijd waarin het beter was niet op de lijst te staan van wat het Westen als “schurkenstaten” omschreef. Tegelijkertijd slaagde Libië via deze stap erin om een groot aantal buitenlandse investeerders voor zijn oliesector binnen te halen en toenadering te zoeken tot het Westen.

Het beeld dat de publieke opinie in Europa kreeg, was niet alleen bepaald door de aanslagen in de tweede helft van de jaren ’80, maar ook door jarenlange steun aan gewapende groeperingen die voor de bevrijding van hun land streden. Dat was zo voor de Palestijnse kwestie, maar ook voor de Ierse. In 1972 maakte de toen 29-jarige Libische leider contact met de toonaangevende Ierse republikein Joe Cahill via de Bretoense kunstenaar Yann Goulet, oudgediende van de Bretoense bevrijdingsbeweging en het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Kadhaffi had een grote sympathie voor de Ierse bevrijdingsstrijd in de zes bezette graafschappen. Hij had tot doel het IRA materiële hulp aan te bieden in de strijd tegen Britse imperialisme op een moment dat The Troubles in alle hevigheid woedden. Toenmalig IRA-leider Joe Cahill trok met enkele andere Ierse nationalisten naar Tripoli, hij was onder de indruk van Kadhaffi zijn kennis van Ierse zaken en de situatie in Ulster. Kadhaffi zei dat hij niet begreep waarom de IRA-delegatie in het Engels sprak, de taal van de staat waar ze tegen vochten. Hij stemde in met de doelstelling van een verenigd Ierland en bood aan het IRA te helpen, zonder tegenverplichtingen. Hoewel de eerste beperkte levering onderschept werd door de Ierse marine, zouden nadien vele scheepstransporten met tonnen aan wapens en explosieven de Ierse kusten bereiken. De contacten met Libië zouden vooral door Thomas Murphy, een opvolger van Cahill aan het hoofd van het IRA, verder uitgediept worden. De vrijheidsstrijd van het IRA werd door de reguliere pers in Europa weggezet als “terrorisme”.  

Het Libië van Kadhaffi stond niet bepaald bekend om een “open grenzen”-politiek. Het was een solide schild tegen migratiegolven, omdat met name veel migranten afkomstig uit de Sahara en de Sahel ervoor kozen zich in Libië te vestigen in plaats van de Middellandse Zee over te steken. Kadhaffi vormde ook een schild tegen de beweging van islamistische terroristen die hij reeds lang vóór de aanslagen van 11 september 2001 bestreed. Libië was het eerste land is dat in 1998 een internationaal arrestatiebevel tegen Bin Laden heeft uitgevaardigd, dit voor een dubbele moord in 1994 tegen twee Duitse ambtenaren op Libische bodem.

De Arabische Lente luidde het einde in van het bestuur door Kadhaffi. De eisen van de internationale omgeving, evenals de leeftijd van Muammar Gaddafi, verergerden het conflict tussen “hard” en “gematigd” binnen de politieke elite. Het was in zekere zin een strijd binnen de machtselite, een strijd tussen de hervormers die het politieke systeem willen transformeren en de oude revolutionairen die elke verandering weigerden. Deze strijd lijkt tot vandaag ook betrekking te hebben op één van de zonen van Khadaffi, Seif al-Islam, die het politieke leven probeerde te hervormen en veel weerstanden tegenkwam. Van de chaos in Noord-Afrika en de toenemende liberaliseringen in Libië zelf, werd gebruik gemaakt om de positie van de Libische leider verder te verzwakken. De spreekwoordelijke druppel was de financiering van de verkiezingscampagne van Nicolas Sarkozy in 2007 door de Libische president en de vermoedelijke poging van president Sarkozy om dit toe te dekken door Kadhaffi definitief uit te schakelen. Het einde is gekend: burgeroorlog, NAVO-bombardementen ende onderschepping van Kadhaffi’s konvooi bij de eindstrijd in zijn geboortestreek rond Sirte. Kort na zijn gevangenneming door rebellen met de steun van NAVO-troepen, werd Muammar Kadhaffi vermoord. Een Frans-Libanese zakenman deed jaren later een boekje open over de geldstromen vanuit Libië naar Sarkozy. Het onderzoek van de Franse justitie richtte zich ook op zo’n 50 miljoen euro die Kadhaffi zou hebben gedoneerd aan Sarkozy’s verkiezingscampagne. Daarmee heeft de Franse oud-president niet alleen het verbod op buitenlandse financiering genegeerd maar ook het maximumbedrag dat destijds aan een campagne mocht worden gespendeerd.

Libië is nu een volledig verwoest land. Drie regeringen en een groot aantal terroristische groeperingen vechten voor controle over het land. De ontvoering van premier Ali Zeidan in Tripoli op 10 oktober 2013 is een triest voorbeeld van het chaotische klimaat in het land. De leiders van het eerste uur van de Nationale Overgangsraad (CNT) ontvluchtten het land om hun toevlucht te zoeken naar het buitenland. Moorden en aanslagen zijn gemeengoed geworden, waardoor honderdduizenden Libiërs hun toevlucht moeten zoeken in andere steden of buurlanden. De aanvallen en de escalatie van gevechten volgden elkaar op in het hele land. Zelfs het Amerikaanse consulaat in Benghazi was het doelwit van een zware wapenaanval waarbij ambassadeur Christopher Stevens werd gemarteld en gedood. Geweld en aanhoudende onveiligheid hebben de meeste Westerse landen ertoe aangezet hun onderdanen te evacueren en hun diplomatieke vertegenwoordigingen te sluiten. De inspanningen van Kadhaffi om Afrika uit de extreme afhankelijkheid van het Westen te halen, vormden een bedreiging voor machten die gedijen op Afrikaanse onderontwikkeling en neokoloniale roofbouw op de bodemschatten. Een economische onafhankelijkheid van Afrika is iets onaanvaardbaar, zoals professor Maximilian Forte herinnert: “De interventie in Libië is ook een manier om een bericht te sturen naar andere Afrikaanse natiestaten (…) dat er grenzen zijn waarbinnen zij moeten opereren “. Als ze kiezen voor een beleid van nationale soevereiniteit en een anti-imperialistisch wantrouwen of verzet beginnen, kunnen er niet langer hypothetische gevolgen zijn…

De grootste uitdaging voor de politieke elites in Libië is die van een politieke transitie die de resultaten van de revolutie van september 1969 zou waarborgen en verdiepen. De huidige chaotische situatie is vooral in het voordeel van de georganiseerde misdaad (drugs- en mensensmokkel richting Europa). Het hangt af van het vermogen van de huidige leiders om een proces van geleidelijke en gecoördineerde overdracht van macht op gang te brengen en te initiëren om een opeenvolging van stabiliteit te waarborgen. De hypothese van een “republikeinse dynastie” van macht in Libië, waarbij Seif al-Islam Kadhaffi zowel de basis van de Al Fateh- revolutie behoudt als politieke verandering belichaamt, is aannemelijk en heeft gelet op stijgende populariteit enige relevantie. Het idee van een alliantie van progressieve krachten en republikeinse krachten rond een project om de sociale modernisering en democratisering van het politieke leven te versterken, met erkenning van de rol van het maatschappelijk middenveld, is een hernieuwd Jamahiriya-project waar Seif al-Islam Kadhaffi al geruime tijd succesvol mee bezig is. Zowel de regering in Tripoli die beheerst wordt door het conservatieve Moslimbroederschap als de schaduwregering in Benghazi, die de steun krijgt van onder andere Saoedi-Arabië en van krijgsheer Khalifa Haftar die een groot deel van het Libische grondgebied controleert, staan een heropbouw van het land in de weg. Het hoeft geen betoog dat het slagen van een stabiel, zich heropbouwend Libië in de geest van de hedendaagse Jamahiriya-beweging van het allergrootste belang is voor Europa.