11 november: start van een actieve vredespolitiek?

11 november 1918 betekende het einde van de Eerste Wereldoorlog. Een breekpunt in een periode (1916-1920) waar Europa zich in een revolutionair stadium bevond, een situatie waarin de heersende klasse niet langer op de oude manier kon regeren en de mensen weigeren te blijven proberen om op de oude manier te leven. Het was meteen ook de periode waarin miljoenen soldaten, gekneed door oorlogsmoeheid en de ellende in de loopgraven, een nieuwe tijdperk voor een nieuwe mens vooropstelden. De 19de eeuw met haar oude bourgeoisie, haar opkomende natiestaten en haar industriële revolutie was definitief voorbij. Als geen ander had Lenin die “Groote Oorlog” vanaf het begin correct gekarakteriseerd als in wezen een handelsoorlog. Het was een oorlog voor het bezit en de overheersing van markten, grondstoffen en koloniën. Lenin riep de bolsjewieken op campagne te voeren om van wat in wezen een roofzuchtige imperialistische oorlog was een klassenoorlog te maken: “Vrede voor de dorpen, oorlog tegen de paleizen!” riep hij. In 1917 was de Russische revolutie een feit, voorafgegaan in 1916 door de Ierse Paasopstand die een opstand tegen het uitbuitende Britse kolonialisme was.

Vóór WO I waren de socialistische partijen van Europa verenigd in hun oppositie tegen een imperialistische oorlog. In 1914 bleef daar nog bitter weinig van over, de meeste hadden zich al in de oorlogslogica ingeschakeld. De enige twee die dat niet deden, waren de Duitse Spartacusbond en de bolsjewieken in Rusland. Lenin was dermate ontdaan van dit principeverraad door de meeste sociaal-democratische partijen dat hij aankondigde dat hij niet langer bekend zou staan als een sociaal-democraat, maar zichzelf in de toekomst een communist zou noemen.

De gebeurtenissen tijdens de oorlog aan het IJzerfront, in het bezette deel van België en op het internationale toneel (Russische revolutie, Ierse Paasopstand,…) leidden ook tot een radicalisering van de Vlaamse beweging die voortaan een anti-Belgische weg zou inslaan en zich niet langer zou beperken tot taaleisen binnen het Belgisch staatskader. De Vlaamsgezinde soldaten, arbeiders en boerenjongens die het voetvolk leverden en daarenboven de malaise ervoeren van een loopgravenoorlog waar maar geen einde bleek aan te komen, organiseerden zich in een aantal gevallen in geradicaliseerde groepen binnen of in de periferie van de Frontbeweging. Zo kwam er in 1918 een oproep tot het oprichten van een radenrepubliek naar Russisch voorbeeld. Er werd tevens geageerd voor het neerleggen van de wapens en voor het uitroepen van de Vlaamse republiek. IJdele hoop, zo bleek al snel na de wapenstilstand: de overwinnende West-Europese grootmachten wensten geen einde van de Belgische staat, de mogelijkheid tot een volksopstand bloedde dood in de wens van de soldaten om zo snel mogelijk naar huis te keren en die oorlog te vergeten. Uit deze gebeurtenissen zou ook de pacifistische gedachte ontstaan die de Vlaamse beweging mee vorm zou geven. ‘Nooit meer Oorlog’, als een adagium die het Vlaamse verzet tegen imperialistisch geweld tot op de dag van vandaag illustreert.

De pacifistische traditie van de Vlaamse beweging was vóór de Eerste Wereldoorlog zowat synoniem met antimilitarisme. Dat antimilitarisme betekende inhoudelijk een aversie tegenover de Belgische staat, waarin militarisme, katholieke kerk en regering gezamenlijk “het regime” vertegenwoordigden. Een regime dat verantwoordelijk werd geacht voor de achterstelling van de Vlaamse bevolking. Voor die Belgische staat en zijn schuldig geacht regime wensten Vlaamsgezinden liever geen officieren te leveren. Dit, en het gebrek aan toegang tot Nederlandstalig hoger onderwijs leidde mee tot het overwicht van de Franstalige officieren in het Belgisch leger tijdens de Eerste Wereldoorlog. In die context was het Vlaamse antimilitarisme dus de facto een vorm van anti-belgicisme.

In het revolutionaire, antiburgerlijke klimaat vlak na de oorlog werd de culturele, politieke en economische toestand in vraag gesteld door de contesterende jongere generatie, veelal bestaande uit oorlogsveteranen. De burgerlijke elite werd als verraderlijk en verantwoordelijk beschouwd voor een oorlog die zij gewenst had. Uit de anti-beweging zouden uiteindelijk twee strekkingen evolueren: een eerder linkse (marxistisch, sociaaldemocratisch, pacifistisch,…) en een extreemrechtse richting die de basis zou leggen voor partijen en bewegingen die zich aan de kant van het fascisme zouden scharen. De Vlaamsgezinden waren aanvankelijk bij beide stromingen terug te vinden, later zou de extreemrechtse de bovenhand krijgen met alle kwalijke gevolgen van dien. Niettemin vonden in de afloop van de Eerste Wereldoorlog drie belangrijke zaken plaats. Ten eerste de Frontpartij, een politieke formatie met een betrekkelijk progressief –maar té gematigd– sociaal programma. Ten tweede de start van de IJzerbedevaarten, die verder bouwden op de Heldenhulde-acties tijdens de oorlog op de graven van de frontsoldaten, op de nooit-meer-oorlog-verzuchting en op het vertrouwen in een Vlaamse heropstanding. Ten derde, de stichting van het Verbond van Vlaamse Oudstrijders (Verbond VOS), dat in eerste instantie een organisatie voor sociale zelfredzaamheid was, maar meer en meer ideologische standpunten ging innemen omtrent antimilitarisme, pacifisme en Vlaams zelfbestuur.

Ruim 100 jaar later: neokolonialisme en imperialistisch militarisme 3.0

West-Europa mag dan al 75 jaar vrede kennen en de sociaal-economische en culturele achterstelling van de Vlamingen is misschien grotendeels ongedaan gemaakt, dit wijzigt niets aan het feit dat neokolonialisme en imperialistisch militarisme alom aanwezig zijn in beleidskeuzes en inzet op het terrein. Met de Zannekinbond menen wij dat het hoog tijd is om hier tegen in te gaan en opnieuw aan te knopen met dat Vlaams verzet. Sinds de jaren ’80 (acties tegen de plaatsing van Amerikaanse kernraketten) is de pacifistische boodschap op de achtergrond geraakt. De dominantie van rechts en extreemrechts heeft het militarisme aangewakkerd tot op een bedenkelijk niveau waarbij een zichzelf Vlaamsgezind noemende politieke partij, de N-VA, zich geroepen voelt om de offensieve macht van het Belgisch NAVO-leger te moderniseren en herop te bouwen. Deels gemotiveerd vanuit paniekzaaierij inzake “islamterreur” gaan ook bij het zichzelf Vlaamsgezind noemend extreemrechts stemmen op, om te investeren in de Belgische defensie en/of opnieuw verplichte Belgische legerdienst in te voeren. Il faut le faire…

Hoewel de inzet van Belgische militairen bij buitenlandse operaties dikwijls officieel kaderen binnen humanitaire opdrachten van VN, EU, enz. … , blijkt duidelijk dat deze ook bijdragen in de bestendiging van enerzijds de belangen van het Westerse transatlantisme en anderzijds in het bijdragen aan neokoloniale politiek in Afrika. Het Belgisch leger wordt in Afrika hoofdzakelijk ingezet in voormalige Franse kolonies met raadgevende en “trainingsopdrachten”. In de voorbije jaren –en in diverse gevallen tot op vandaag- is er aanwezigheid en inzet in Benin, Mali, Niger, Mauretanië, Burkina Faso, … en draagt dit bij tot het vergroten van het draagvlak voor Franse (militaire) interventie in deze landen ter verdediging van neokoloniale belangen. België werkt met het leveren van militaire instructeurs ook mee aan operatie Flintlock in Niger, waarbij onder Amerikaans bevel lokale strijdkrachten verder uitgebouwd worden. Via het uithangbord van strijd tegen smokkel, piraterij, … wordt onder het Amerikaanse programma ‘Maritime Capacity Building’ ook meegewerkt aan militaire aanwezigheid van het Atlantisch bondgenootschap in West-Afrika. Dat de mate van soevereiniteit van deze Afrikaanse landen sinds de officiële dekolonisering hierdoor zeer bedenkelijk is, hoeft geen twijfel. Eén van de bekendste gevallen die dit aan den lijve mocht ondervinden was Thomas Sankara, voormalig president van Burkina Faso. De man werd met medewerking van de Fransen uit de weg geruimd omdat hij de Franse kapitalistische belangen in zijn land doorkruiste.

In de zogenaamde strijd tegen terreur, trekt het Belgisch leger steeds op in het zog van de Amerikanen. Aanhoudende aanwezigheid in Afghanistan, opleiding van militairen in Irak, bewakingsopdrachten in Jordanië tot en met de gekende schendingen van de Syrische soevereiniteit voor het uitvoeren van bombardementen op door de Amerikanen uitgekozen doelwitten. Dit ter ondersteuning van internationaal samengestelde terreurgroepen op Syrisch grondgebied. Europese operaties kaderen dan weer bijna volledig in de anti-Russische lijn: luchtpolitie in Baltische staten, meer marine in de Baltische zee, medewerking aan NAVO-gevechtsgroepen in Baltische staten en Polen. Dit terwijl Europa nood heeft aan een stabiele, vredevolle relatie met Rusland. Het Atlantisch bondgenootschap pookt spanningen met Rusland op door oostwaartse uitbreidingen die kaderen in zowat het meest centrale element in de langjarige Amerikaanse geopolitiek: het inperken van de Russische macht en invloedssfeer, het verhinderen dat West-Europa een vriendschappelijke eenheid met Rusland zou vormen. Het resultaat is een vijandig opbod in actie en reactie, een opbod waar het Belgisch leger aan meewerkt. Wat de Zannekinbond betreft, moet Vlaanderen elke medewerking aan deze militaire imperialistische politiek alsook elke investering in het Belgisch NAVO-leger kordaat afwijzen.

30 jaar na de Koude Oorlog: nog steeds Amerikaanse kernbommen op Europees grondgebied

Een nadien weg gecensureerd zinnetje in het officiële NAVO-document ‘A new era for nuclear deterrence? Modernisation, arms control, and allied nuclear forces’ (16 april 2019), bevestigde het reeds bekende publieke geheim: de aanwezigheid van Amerikaanse B-61 kernbommen in Vlaanderen. De kracht van de bom wordt ter plekke ingesteld door een schakelaar op het wapen en kan variëren van 0,3 tot 170 kiloton. Ter vergelijking, de atoombom die op Hiroshima gegooid werd had een kracht van 12 kiloton. Binnen de context van de NAVO stellen de Verenigde Staten een vermoedelijk aantal van 150 tot 300 van deze nucleaire wapens op in Europa. Deze B61-vrijevalbommen, die zowel door Amerikaanse als geallieerde vliegtuigen (dus ook Belgische straaljagers) kunnen worden ingezet, zijn opgeslagen in zes basissen waarvan vijf in Europa: Kleine Brogel in ons land, Büchel in Duitsland, Aviano en Ghedi-Torre in Italië, Volkel in Nederland. Een aanzienlijk aantal lag / ligt ook opgeslagen op de Turkse vliegbasis Inçirlik maar door de regionale spanningen en de vertroebelde Amerikaans-Turkse relaties overwegen de Amerikanen er hun kernbommen weg te halen. Saillant detail: in 1962 werden alle Amerikaanse kernbommen uit Turkije verwijderd, als tegenprestatie voor het weghalen van de nucleaire wapens door de Sovjets uit Cuba. De Koude Oorlog is ondertussen al 30 jaar afgelopen, waarom liggen er dan opnieuw 50 kernbommen opgeslagen op Turkse bodem?

Het NAVO-document bracht eigenlijk niets nieuw onder de zon want de aanwezigheid van de A-bommen was een publiek geheim. Zo pompten de Amerikanen in 2015 meer dan een miljoen dollar in een nieuw onderhoudsgebouw voor kernwapens en een nieuwe commandopost voor de Amerikaanse eenheid die de ondergrondse bunkers bewaakt. Al sinds ze tijdens de Koude Oorlog werden opgesteld ter afschrikking van Rusland, en houden de Belgische regering en het departement Defensie zich aan het ‘confirm nor deny’-protocol (‘Bevestig noch ontken!’). België ondertekende immers het nonproliferatieverdrag uit 1968, dat het bezit van kernwapens beperkt. Het ene staat haaks op het andere, de aanwezigheid van die Amerikaanse kernbommen is dan ook een overtreding van dit verdrag.

De VS zijn volop bezig hun B-61-bommen te moderniseren. De nieuwe generatie zou vanaf 2020 beschikbaar zijn en is compatibel met de peperdure F-35-gevechtsvliegtuigen die de regering-Michel heeft besteld. De volgende federale Belgische regering zal dus moeten beslissen of de nieuwe generatie hier welkom is of niet. De nieuwe Europese kernwapens kosten samen 10,4 miljard dollar, meer dan een verdubbeling ten opzichte van de oorspronkelijk geplande 4 miljard. Het is daarmee het duurste kernwapenproject uit de geschiedenis. Binnen het Atlantische bondgenootschap wordt uiteenlopend gedacht over de aanwezigheid van de Amerikaanse kernwapens in Europa. De voormalige Amerikaanse NAVO-opperbevelhebber generaal James L. Jones was bijvoorbeeld voorstander van het weghalen van de Amerikaanse kernwapens. Het is aan de militante vredesbeweging in Vlaanderen om het definitieve vertrek van deze kernbommen te eisen. Hun aanwezigheid is een provocatie aan het adres van Rusland en dient het Amerikaans imperialisme in Europa. Dat 11 november wat de Zannekinbond betreft alvast het startschot mag geven voor een actieve vredespolitiek met een campagne tegen de aanwezigheid van deze Amerikaanse massavernietigingswapens, onderdeel van een Amerikaanse militaire kolonisatie van Europa!